Informatie

Hebben mensen feromoonreceptoren?


Wat is de huidige consensus over het al dan niet hebben van receptoren die feromonen detecteren?

Als er vermeende receptoren zijn, in welke anatomische gebieden bevinden ze zich dan? Met welke orgaansystemen werken ze samen?


Van wat ik heb verzameld, zou ik denken dat mensen receptoren hebben die feromonen kunnen detecteren.

Sommige onderzoeken hebben bijvoorbeeld menselijke reacties op feromonen aangetoond. Van deze feromoonreacties zijn sommige terug te voeren op het reukslijmvlies en het reukepitheel.

De sporenamine-geassocieerde receptoren (TAAR) waarvoor mensen 7 genen hebben (TAAR1, TAAR2, TAAR3, TAAR5, TAAR6, TAAR8, TAAR9) en 2 pseudogenen (TAAR4P, TAAR7P) worden gevonden in het reukepitheel, terwijl androstadienone-receptoren worden gevonden in het reukslijmvlies. Zoals gesuggereerd door de anatomische locatie, interageren deze receptoren met de menselijke reukzin en het reuksysteem

Meer informatie: http://en.wikipedia.org/wiki/Pheromone#Humans


Nou... Ik ben opgewonden dat mijn eerste bijdrage aan deze site een onderzoek naar strippers zal bevatten!

http://whywereason.wordpress.com/2011/06/29/menstruation-attraction-why-females-shouldnt-flirt-while-menstruating-and-why-bears-can-mell-the-menstruation/

Ik heb andere, meer gedetailleerde analyses van dit (en soortgelijk) onderzoek gelezen die sterk suggereren dat onze neuzen sterk betrokken zijn bij allerlei volledig onbewuste besluitvorming, aangezien het specifiek betrekking heeft op seksuele selectie.


Menselijke seksferomonen

Geen enkele studie heeft geleid tot de isolatie van true menselijke seksferomonen, hoewel verschillende onderzoekers de mogelijkheid van hun bestaan ​​hebben onderzocht. [1] [2] Seksferomonen zijn chemische (olfactorische) signalen, feromonen, die door een organisme worden afgegeven om een ​​persoon van het andere geslacht aan te trekken, hem aan te moedigen ermee te paren of een andere functie uit te voeren die nauw verband houdt met seksuele voortplanting. Hoewel mensen sterk afhankelijk zijn van visuele signalen, spelen geuren, wanneer ze in de buurt zijn, ook een rol bij sociaalseksueel gedrag. Een inherente moeilijkheid bij het bestuderen van menselijke feromonen is de behoefte aan reinheid en geurloosheid bij menselijke deelnemers. [3] Experimenten hebben zich gericht op drie klassen vermeende menselijke feromonen: okselsteroïden, vaginale alifatische zuren en stimulatoren van het vomeronasale orgaan.

Axillaire steroïden worden geproduceerd door de teelballen, eierstokken, apocriene klieren en bijnieren. [4] Deze chemicaliën zijn pas in de puberteit biologisch actief, wanneer geslachtssteroïden hun activiteit beïnvloeden. [5] De activiteitsverandering tijdens de puberteit suggereert dat mensen communiceren via geuren. [4] Verschillende okselsteroïden zijn beschreven als mogelijke menselijke feromonen: androstadienol, androstadienone, androstenon, androstenol en androsteron.

Androstenol is het vermeende vrouwelijke feromoon. [5] In een onderzoek van Kirk-Smith uit 1978 werden mensen die chirurgische maskers droegen die met androstenol waren behandeld of onbehandeld, afbeeldingen van mensen, dieren en gebouwen getoond en gevraagd om de afbeeldingen te beoordelen op aantrekkelijkheid. [6] Personen met hun maskers die met androstenol waren behandeld, beoordeelden hun foto's als "warmer" en "vriendelijker". [6] De bekendste case study betreft de synchronisatie van menstruatiecycli bij vrouwen op basis van onbewuste geursignalen, de McClintock-effect, genoemd naar de hoofdonderzoeker, Martha McClintock, van de Universiteit van Chicago. [7] [8] Een groep vrouwen werd blootgesteld aan een vleugje transpiratie van andere vrouwen. Afhankelijk van de tijd in de maand dat het zweet werd verzameld (vóór, tijdens of na de eisprong), was er een verband met de menstruatiecyclus van de ontvangende vrouw om te versnellen of te vertragen. De studie uit 1971 stelde twee soorten feromoon voor: "Een, geproduceerd vóór de ovulatie, verkort de eierstokcyclus en de tweede, geproduceerd net bij de ovulatie, verlengt de cyclus". Recente studies en beoordelingen van de methodologie hebben echter de validiteit van haar resultaten in twijfel getrokken. [9] [10] Een meta-review uit 2013 van bestaande onderzoeken toonde aan dat het synchroniseren van ovariumcycli waarschijnlijk niet bestond. [11]

Androstenon wordt verondersteld alleen door mannen te worden uitgescheiden als een lokstof voor vrouwen en er wordt ook gedacht dat het hun humeur positief beïnvloedt. Het lijkt verschillende effecten op vrouwen te hebben, afhankelijk van waar een vrouw zich in haar menstruatiecyclus bevindt, met de hoogste gevoeligheid ervoor tijdens de eisprong. [5] In 1983 bleek dat deelnemers aan de studie die werden blootgesteld aan androstenon veranderingen in huidgeleiding ondergingen. [12] Androstenon wordt als prettiger ervaren door vrouwen tijdens de eisprong van een vrouw. Er wordt verondersteld dat dit een manier kan zijn voor een man om een ​​ovulerende vrouw te detecteren die meer bereid zou zijn om betrokken te zijn bij seksuele interactie. [1] [2] [3] [13]


Samenvatting

De realiteit van onzichtbare chemische signalen, feromonen, tussen leden van dezelfde soort werd erkend lang voordat ze konden worden geïdentificeerd. Charles Darwin stelde voor dat de seksuele geuren van mannelijke krokodillen, geiten en andere dieren in het broedseizoen ook zouden kunnen zijn geëvolueerd door seksuele selectie van de meest stinkende mannetjes via vrouwelijke keuze. Maar het is niet alleen seks. We weten nu dat feromonen worden gebruikt door soorten in het hele dierenrijk, in elke habitat en in een breed scala van biologische contexten, van spoor-, alarm- en koninginnenferomonen bij sociale insecten tot het borstferomonen geproduceerd door moederkonijnen. Feromonen hebben fascinerende voorbeelden van signaalevolutie opgeleverd. In sommige modelorganismen, zoals motten, Drosophila, Caenorhabditis elegans, en Mus musculus, kan een compleet signaleringssysteem genetisch worden ontleed, van de enzymen die feromonen produceren, perceptie door chemosensorische receptoren, tot de neurale circuits die de signalen verwerken.


Kunnen mensen seksferomonen ruiken?

Je hebt misschien gehoord over feromonen in het nieuws of in sommige advertenties die beweren dat een parfum je onweerstaanbaar maakt, maar veel mensen weten niet wat feromonen betekent. De definitie van feromoon dateert uit de jaren dertig, toen ze voor het eerst werden ontdekt in insecten. Destijds werd ontdekt dat een molecuul, of een mix van moleculen, die door een individu wordt afgegeven, het gedrag van een ander individu van dezelfde soort kan beïnvloeden, wat vaak een seksuele reactie teweegbrengt. Deze moleculen functioneren normaal gesproken via de reukzin. Bij insecten kan het effect van een feromoon heel eenvoudig zijn, en zelfs verschillend voor de twee geslachten, wat betekent dat hetzelfde molecuul het paringsgedrag bij een mannelijke vlieg kan remmen, maar de paring bij een vrouwtje kan bevorderen.

Zoals je je misschien kunt voorstellen, is de situatie gecompliceerder bij zoogdieren, vanwege hun hogere hersencomplexiteit. Geparfumeerd filtreerpapier werd bijvoorbeeld vaak gebruikt voor studies naar het copulatiegedrag van insecten, maar het is moeilijk voor te stellen dat een muis probeert te copuleren met een stuk papier. Hoewel de gedragsreacties van zoogdieren niet zo eenvoudig zijn, kan het effect van een feromoon net zo opvallend zijn als het 'Bruce-effect', waarbij een zwangere muis de zwangerschap voortijdig kan beëindigen als hij wordt blootgesteld aan onbekende mannelijke feromonen.

Als het om mensen gaat, is het omgaan met feromonen en gedrag nog uitdagender, vanwege de complexe aard van ons sociale en seksuele gedrag. In een beroemde studie vroegen onderzoekers proefpersonen om t-shirts te ruiken die voorheen meerdere dagen door mannen en vrouwen werden gedragen, en ontdekten dat 70-80% van de proefpersonen het geslacht van de persoon kon identificeren op basis van de geur van de t- shirt . Later bleek echter dat mensen de neiging hebben om sterkere onaangename geuren te associëren met mannen, wat een onbewuste vooringenomenheid aan het licht bracht in het 'stinkende t-shirt'-experiment. Dit laat zien hoe ervaringen onze keuzes of gedrag kunnen beïnvloeden, waardoor wetenschappelijke tests en gegevensinterpretatie uiterst gecompliceerd worden.

Onlangs is een tepelafscheiding van zogende moeders, die het zuigen van pasgeborenen veroorzaakt, voorgesteld als een nieuw menselijk feromoon. Naar mijn mening is dit een goed voorbeeld van feromoon-geïnduceerd gedrag, omdat er geen sprake is van leer- of ervaringsbias. Met andere woorden, pasgeborenen hebben geen idee hoe ze voedsel uit een tepel moeten halen, maar het ruiken van deze afscheiding zal een specifiek aangeboren gedrag veroorzaken.

De grote vraag is: kunnen mensen seksferomonen ruiken? Het antwoord is: we weten het nog niet. Er zijn enkele kandidaat-moleculen, maar geen van hen wordt algemeen aanvaard door de wetenschappelijke gemeenschap. Veel studies die nieuwe vermeende feromonen voorstellen, zijn grotendeels bekritiseerd, voornamelijk vanwege fouten in de experimentele benadering. Sommige wetenschappers heroverwegen zelfs de definitie van feromoon zelf, aangezien de oorspronkelijke was gebaseerd op hoe sommige chemicaliën ondubbelzinnig gedrag bij insecten veroorzaken, en dit is misschien niet van toepassing op mensen. Misschien kunnen feromonen onze fysiologische toestand of stemming op subtielere manieren beïnvloeden die niet gemakkelijk te identificeren zijn in een eenvoudige wetenschappelijke test.

Volg Alfredo's onderzoek op zijn webpagina en twitter.


Menselijke feromonen – feit of fantasie?

Op een late avond bladerde ik door televisiestations in een enigszins vergeefse poging om iets interessants te vinden (lees daarvoor "niet-realiteit") om naar te kijken, toen ik een politiedrama tegenkwam en besloot het te bekijken. Ik miste het begin, maar het basisverhaal ging over een wetenschapper die een soort feromonaal medicijn had uitgevonden dat, bij inademing, ervoor zorgde dat mannen werden overmand door onverzadigbare en dringende seksuele verlangens. Deze mindcontrol-drug kwam vrij in het ventilatiesysteem tijdens een modeshow waarin mooie modellen in schrale kleding over een catwalk stapten. Onmiddellijk begonnen alle mannen in het publiek het podium op te springen en de hulpeloze modellen te grijpen, te duwen en te duwen en met elkaar te vechten, en in wezen terug te keren naar een dierlijke, oorspronkelijke staat van zijn. Natuurlijk hebben de helden de dag gered en alles is goed afgelopen - geen modellen raakten gewond en de meeste mannen kwamen er met niet meer dan een paar kneuzingen vanaf. Ik wou dat ik de naam van deze show kon onthouden, want het was zeker vermakelijk. Het is altijd vermakelijk – en frustrerend – wanneer televisie de wetenschap zo verkeerd opvat.

En die wetenschap was echt, echt verkeerd. Feromonen – chemische afscheidingen die ongeletterde gedrags- of ontwikkelingsreacties van anderen van dezelfde soort opwekken – reguleren het seksuele en reproductieve gedrag van veel niet-menselijke zoogdieren. [Dus het tv-programma heeft in ieder geval iets goed gedaan - feromonen produceren ongeletterde reacties.] We kunnen hiervan voorbeelden zien in het hele dierenrijk. Mijn hond Phoebe wordt een hondensekssymbool, de Marilyn Monroe van de herders, begeerd door jongenshonden heinde en verre, wanneer ze door haar hittecyclus gaat en geurmarkeringen afgeeft die haar reproductieve gereedheid aangeven. Maar of er bij mensen feromonen bestaan ​​en, belangrijker nog, of het menselijk seksueel gedrag wordt gereguleerd door feromonen, valt te betwijfelen.

Laten we eens kijken naar het bewijs. Om vast te stellen dat een menselijk feromonen bestaat, moeten we eerst aantonen dat het menselijk lichaam chemische afscheidingen produceert die feromonale eigenschappen hebben, ten tweede dat we deze afscheidingen kunnen detecteren wanneer ze eraan worden blootgesteld en ten derde, dat we reageren op hun aanwezigheid op een consistente manier (bijvoorbeeld door verhoogde niveaus van seksueel verlangen of passie te voelen).

Wat vertelt de wetenschap ons? Produceren we feromonale afscheidingen? Mannen en vrouwen hebben geurproducerende apocriene klieren in hun oksels, tepels en genitale gebieden. Ook hebben biochemici verbindingen geïsoleerd die feromonale eigenschappen hebben bij varkens uit de urine en het zweet van mannen en, in mindere mate, vrouwen. Dus we geven lichaamsgeur af en ons lichaam scheidt stoffen af ​​die varkens seksueel stimulerend vinden. Hmmm. De jury is hierover uit - het lijkt mogelijk, maar wetenschappers hebben nog niet de specifieke afscheidingen geïdentificeerd die als feromonen in onze soort kunnen dienen.

Ervan uitgaande dat het menselijk lichaam feromonale stoffen kan afscheiden, zijn we dan in staat om ze te detecteren? Hier is het bewijs iets steviger. Wetenschappers hebben ontdekt dat menselijke baby's, kinderen en volwassenen onderscheid kunnen maken tussen andere individuen op basis van olfactorische signalen - we kunnen elkaar van elkaar onderscheiden met onze neus. Het lijkt mogelijk dat we feromonen kunnen detecteren, als ze zouden bestaan.

De vraag die de meesten van ons interesseert, is natuurlijk of feromonen onze seksuele reacties daadwerkelijk beïnvloeden. Zeker, veel parfums en eau de cologne bevatten feromonen (of hun synthetische equivalenten) van verschillende zoogdieren, waaronder het muskushert, de civetkat, de bever en het varken. Studies tonen aan dat blootstelling aan deze stoffen ofwel helemaal geen effect heeft, ofwel seksuele gevoelens bij volwassenen vermindert. Dus blootstelling aan feromonen geproduceerd door andere zoogdieren lijkt seksueel gezien niet veel voor of voor ons te doen.

Maar feromonen zijn soortspecifiek. Het is dus niet verwonderlijk dat blootstelling aan niet-menselijke feromonen de seksuele aantrekkingskracht bij mensen niet direct beïnvloedt. Het is echter mogelijk dat deze stoffen een indirect effect hebben op het verlangen - een geur of geur kan een aangename emotionele reactie uitlokken die op zijn beurt seksuele gevoelens kan vergroten. Bovendien is het waarschijnlijk dat een bepaalde geur of geur die herhaaldelijk is gekoppeld aan een sekspartner of met seksuele activiteit (bijvoorbeeld een specifiek merk eau de cologne of parfum) een aangeleerde wensreactie kan produceren. Natuurlijk vormen dit soort uitgelokte of aangeleerde reacties geen echte feromoonreactie.

De wetenschap zal doorgaan en de zoektocht naar het identificeren van een menselijk feromoon zal ongetwijfeld doorgaan. Misschien kan ik over een jaar of twee een nieuw, bijgewerkt bericht plaatsen dat meer overtuigend bewijs levert met betrekking tot feromonen. Voorlopig heeft het tv-programma het echter bij het verkeerde eind. De menselijke seksualiteit is meervoudig bepaald en veel complexer dan de schrijvers voorstelden. Onze seksuele reacties zijn veel minder biochemisch afhankelijk dan die van andere zoogdieren - in tegenstelling tot mijn hond Phoebe, hebben mannen en vrouwen de aanwezigheid van een bepaald hormoon of chemische afscheiding niet nodig om verlangen te voelen, seks te willen of aangetrokken te worden tot een ander lid van de soorten. En geen enkele substantie zou de kracht hebben om die dierlijke, primaire seksuele en agressieve gedragingen te produceren die de schrijvers lieten zien. Als de gekke wetenschapper echt een feromoon had geïdentificeerd, hadden we verwacht dat deze stof hoogstens iets had geproduceerd dat leek op "Wauw, ze is best heet" van de mannen in het publiek. Dat zou echter waarschijnlijk niet voor goede beoordelingen zorgen.


De zoektocht naar menselijke feromonen: de verloren decennia en de noodzaak om terug te keren naar de eerste principes

Omdat mensen zoogdieren zijn, is het mogelijk, misschien zelfs waarschijnlijk, dat we feromonen hebben. Er is echter geen robuust, door bioassay geleid bewijs voor de wijdverbreide beweringen dat vier steroïde moleculen menselijke feromonen zijn: androstenon, androstenol, androstadienone en estratetraenol. Bij gebrek aan goede redenen om de moleculen te testen, moeten positieve resultaten in onderzoeken met scepsis worden behandeld, aangezien deze zeer waarschijnlijk vals-positieven zijn. Veelvoorkomende problemen zijn kleine steekproeven, een overschatting van de effectgrootte (omdat er geen effect kan worden verwacht), positieve publicatiebias en gebrek aan replicatie. In plaats daarvan, als we menselijke feromonen willen vinden, moeten we onszelf behandelen alsof we een nieuw ontdekt zoogdier zijn en de rigoureuze methoden gebruiken die al succesvol zijn gebleken in feromonenonderzoek op andere soorten. Het vaststellen van een feromoon is afhankelijk van het aantonen van een geur-gemedieerde gedrags- of fysiologische respons, identificatie en synthese van de bioactieve molecule(s), gevolgd door bioassay-bevestiging van activiteit. Mogelijke bronnen zijn onze talgklieren. Vergelijking van secreties van volwassen en prepuberale mensen kan potentiële moleculen die betrokken zijn bij seksueel gedrag aan het licht brengen. Een van de meest veelbelovende menselijke feromoonleidingen is een tepelafscheiding uit de tepelhofklieren, geproduceerd door alle zogende moeders, die het zuigen door elke baby stimuleert, niet alleen die van henzelf.

1. Inleiding

Feromonen zijn chemische signalen die zijn geëvolueerd voor communicatie met andere leden van dezelfde soort. In de afgelopen 45 jaar hebben sommige wetenschappers beweerd dat een aantal moleculen menselijke feromonen zijn, maar, zoals ik in deze review uitleg, hebben deze beweringen weinig wetenschappelijke waarde. De moleculen omvatten vier androstene-steroïden: androstenon, androstenol, androstadienone en estratetraenol. Hoewel het veld veel enthousiaste wetenschappelijke activiteit heeft aangetrokken, brengen experimenten (hoe goed ontworpen en uitgevoerd ook) met deze moleculen ons niet dichter bij de ontdekking van menselijke feromonen, omdat nooit is aangetoond dat deze moleculen biologisch relevant zijn.

Afgezien van het verspillen van wetenschappelijke inspanningen, gaat de potentiële schade verder, aangezien zelfs gebrekkige studies over 'menselijke feromonen' verreikende klinische en zelfs sociale en wetgevende invloed kunnen hebben. Zo heeft een twijfelachtig hersenbeeldonderzoek [1] naar de reacties van homomannen op niet-fysiologische concentraties (ongeveer een miljoen keer de natuurlijke hoeveelheden) van androstadienon en estratetraenol meer dan 200 citaten ontvangen (Google Scholar, 23 oktober 2014), waaronder academische papers over seksuele geaardheid (bijv. [2]), leerboeken over seksuele geneeskunde in de klinische praktijk (bijv. [3]) en medisch commentaar op wetgeving (bijv. [4]).

Ik begin met een samenvatting van wat feromonen zijn en hoe we vaststellen dat moleculen aan deze criteria voldoen, voordat ik ga onderzoeken waarom we zouden kunnen verwachten dat mensen feromonen zouden kunnen hebben. Vervolgens bespreek ik de problematische geschiedenis van 'vermeende feromonen' van androsteen. De tweede helft van deze recensie biedt positieve voorstellen en methoden om de zoektocht naar menselijke feromonen opnieuw te starten vanuit de eerste principes, ondanks de vele uitdagingen die deze taak met zich mee zal brengen.

2. Feromonen zijn chemische signalen die voldoen aan gevestigde criteria

Feromonen zijn chemische signalen die zijn geëvolueerd voor communicatie tussen leden van dezelfde soort (soortgenoten). Feromonen zijn signaalmoleculen die bijvoorbeeld kenmerkend zijn voor alle mannetjes van een soort, niet voor een bepaald individueel mannetje, hoewel sommige mannetjes meer van het feromoon kunnen hebben en vrouwtjes de voorkeur geven aan deze mannetjes [5]. Feromonen zijn niet de individuele geuren waarmee dieren als individuen kunnen worden onderscheiden (§3c).

Een feromoonsignaal lokt een specifieke reactie uit zoals een stereotiep gedrag (releaser-effect) en/of een ontwikkelingsproces (primer-effect) van een soortgenoot [5,6]. Sommige feromonen kunnen beide effecten hebben. Bijvoorbeeld in de huismuis, Mus musculus domesticus, de mannelijke feromonen dehydro-exo-brevicomine en 2-sec-butyl-4,5-dihydrothiazol heeft de vrijmakende effecten van het opwekken van agressie van andere mannen en het aantrekken van vrouwen, evenals de ontwikkelingseffecten (primer) van het schijnbaar induceren van oestrus bij volwassen vrouwen en het versnellen van de puberteit bij jonge vrouwen [7]. De meeste reacties op feromonen zijn 'aangeboren', wat betekent dat ze niet lijken te moeten worden geleerd. Reacties kunnen echter door ervaring worden gewijzigd, kunnen subtiel zijn en kunnen contextafhankelijk zijn [5, p. 206 ev]. Zo reageren mannelijke motten die recentelijk hebben gepaard niet op vrouwelijk seksferomoon [8].

Feromonen zijn geïdentificeerd in elk deel van het dierenrijk, inclusief zoogdieren, en kunnen betrokken zijn bij een breed scala aan functies, waaronder aantrekking van de geslachten, partnerkeuze, het volgen van sporen en interacties tussen ouders en nakomelingen, afhankelijk van de soort [5 ,9]. De meeste feromonen, waaronder de vrouwelijke geslachtsferomonen van de meeste motten en sommige zoogdierferomonen, zijn niet enkele verbindingen. In plaats daarvan zijn ze meestal een soortspecifieke multicomponent-combinatie van moleculen [5,10]. In de huismuis vormen bijvoorbeeld gesulfateerde oestrogenen en een bepaalde fractie van vrouwelijke urine een meercomponenten muizenferomoon, geproduceerd door tochtige vrouwtjes, dat mannelijke opgroei bevordert [10,11]. De meeste feromonen worden gedetecteerd door de reukzin. Feromoonmoleculen kunnen vluchtig of niet-vluchtig zijn, oplosbaar of onoplosbaar, groot of klein, afhankelijk van of ze in lucht of water naar de ontvanger worden vervoerd of bijvoorbeeld op de neus van de ontvanger worden afgezet [5]. Feromonen kunnen van korte of lange afstand zijn, of werken bij contact. In huismuizen worden vluchtige feromoonmoleculen gedetecteerd op een afstand van centimeters, waaronder dehydro-exo-brevicomine en 2-sec-butyl-4,5-dihydrothiazol, terwijl het niet-vluchtige mannelijke peptide feromoon ESP1 (exocriene klier-secreterende peptide 1) wordt overgebracht van de traanklieren van de man naar de neus (en dus vomeronasaal orgaan, VNO) van de vrouw tijdens verkering contact [12].

(a) De essentiële stappen voor het identificeren van een feromoon

De stappen werden gedemonstreerd in de eerste chemische identificatie van een feromoon, het vrouwelijke geslachtsferomoon van de zijdemot (bombykol), bereikt door de Duitse chemicus Adolf Butenandt en zijn team [13]. De stappen die essentieel zijn voor het identificeren van een feromoon zijn: een gedrags- of fysiologische respons aantonen (gekwantificeerd in een herhaalbaar experiment dat een bioassay wordt genoemd) die wordt gemedieerd door een potentiële chemische stimulus, zoals een afscheiding, van een soortgenoten isolaat, het bioactieve molecuul identificeren en synthetiseren (s) vervolgens bevestigen dat de voorgestelde molecule(n) in natuurlijke concentraties noodzakelijk en voldoende zijn om de oorspronkelijke activiteit te recreëren met de oorspronkelijke bioassay [5, p. 49 ev]. Ik heb gesuggereerd dat deze stappen de leidende criteria zijn die nodig zijn voor het identificeren van feromonen, analoog aan 'Koch's postulaten' voor het vaststellen van causale verbanden voor infectieuze agentia [9].

We zullen dezelfde stappen moeten volgen in een hernieuwde zoektocht naar menselijke feromonen. Er zijn geen kortere routes. De tot nu toe geclaimde identificaties van 'menselijke feromonen' (§4) zijn ernstig gebrekkig, omdat ze niet het resultaat zijn van deze methodische, door bioassay geleide benadering.

3. We kunnen redelijkerwijs anticiperen dat mensen feromonen hebben

We kunnen op evolutionaire gronden anticiperen op het vinden van menselijke feromonen, omdat we zoogdieren zijn, maar het is mogelijk dat we in de loop van de evolutionaire tijd geen reacties meer op hen hebben gekregen vanwege een gebrek aan selectiedruk.

(a) Andere zoogdieren gebruiken feromonen, dus mensen kunnen dat ook doen

Veel zoogdieren hebben feromonen die voldoen aan de klassieke definitie [5,10,14]. Deze omvatten het konijnenborstferomoon 2-methylbut-2-enal (2MB2) [15] en 4-ethyloctanal bij mannelijke geiten (figuur 1) [16], evenals eiwitferomonen zoals ESP1 en darcin in de huismuis [12 ,17].

Figuur 1. Hoe feromoonmoleculen kunnen worden geïdentificeerd tegen een achtergrond van vele honderden moleculen in een geurmonster van een zoogdier. Geuren van de hoofden van mannelijke geiten Capra hircus seizoensgebonden oestrische vrouwtjes in de oestrische toestand overschakelen. Het gaschromatograafspoor (boven) toont het grote aantal pieken (elk corresponderend met een molecuul) van een monster vluchtige stoffen van de koppen van mannelijke geiten [16]. De gemarkeerde sectie, vergroot (hieronder), was het gebied dat de activiteit bevatte, gedetecteerd in bioassays van vrouwelijke respons. Omdat de feromoonsecretie androgeenafhankelijk was, et al. [16] zocht naar moleculen die ontbraken in de secreties van gecastreerde mannetjes (onderste, grijze chromatogram) en creëerde een synthetische cocktail van 18 moleculen (onderstreept) in de concentraties gevonden in de originele headspace-analyse van intacte mannetjes. De meeste, maar niet alle, bioassay-activiteit kon worden gereproduceerd door één molecuul, 4-ethyloctanal, dus het feromoon kan andere moleculen van de 18 bevatten. Merk op dat de kandidaat-moleculen niet de hoogste toppen. Overgenomen uit Murata et al. [16] in Huidige biologie met toestemming van Elsevier. Geit afbeelding, niet-auteursrecht.

Darwin [18] merkte op dat volwassen mannetjes van zoogdieren zoals geiten en olifanten kenmerkende sterke geuren hebben tijdens het broedseizoen. Hij redeneerde dat de evolutie van gespecialiseerde geurklieren bij mannelijke zoogdieren 'begrijpelijk is door seksuele selectie, als de meest geurige mannetjes het meest succesvol zijn in het winnen van de vrouwtjes, en in het nalaten van nakomelingen om hun geleidelijk geperfectioneerde klieren en geuren te erven' [18, vol. . 2, blz. 281].

Als we een ander soort zoogdier waren, zouden de veranderingen in onze geurproducerende afscheidingen tijdens de puberteit tot seksuele rijpheid erop wijzen dat deze een feromonale rol zouden kunnen spelen [5]. De veranderingen zijn grotendeels te wijten aan de ontwikkeling van talgklieren en apocriene huidklieren in de puberteit (zie §6). Andere primaten vertonen een vergelijkbare ontwikkeling van de klieren met seksuele rijpheid en veel soorten, van maki's tot apen, maken veelvuldig gebruik van chemische communicatie [19,20]. Hoewel wij en onze naaste verwanten, de mensapen (de bonobo's, chimpansees, gorilla's en orang-oetans) niet zoveel gebruik lijken te maken van geurcommunicatie als andere primaten, zijn geuren nog steeds belangrijk voor ons en hebben we secretoire klieren die kunnen worden gebruikt om feromonen [5,20,21].

(b) Mensen hebben een goed reukvermogen

De mogelijkheid van menselijke feromonen is gedeeltelijk gebagatelliseerd omdat in het verleden ten onrechte werd aangenomen dat we een slecht reukvermogen hebben [5]. Integendeel, we zijn in ieder geval uitstekende ruikers die in staat zijn om subtiele geurverschillen te maken, hoewel dit op zich geen bewijs is dat we feromonen hebben [19,21-23]. We hebben een 'belangrijk olfactorisch systeem' maar we hebben geen functionele VNO of 'tweede neus' [24]: dit vormt echter geen belemmering voor ons mogelijke gebruik van feromonen, aangezien veel zoogdieren, waaronder konijnen en schapen, feromonen detecteren met de belangrijkste olfactorische systeem [14,25].

(c) Niet alle menselijke geuren zijn feromonen: mensen reageren ook op individuele geuren zonder feromonen

Feromonen, moleculen die kenmerkend zijn voor alle mannetjes van de soort, komen bijvoorbeeld voor tussen de andere moleculen van het chemische profiel van een mannetje (figuur 1). Het is de grote variatie in deze niet-feromoonmoleculen tussen individuen, bijvoorbeeld door genetische variatie en voeding, waardoor dieren als individuen op geur kunnen worden onderscheiden. Deze verschillen worden door speurhonden gebruikt als aanwijzingen om verschillende mensen te onderscheiden.

Deze individuele lichaamsgeuren zonder feromoon zijn belangrijk als signalen in veel menselijke interacties. We zijn bijvoorbeeld goed in het herkennen van naaste familie aan geur [26] en geur kan onze partnerkeuze beïnvloeden. Beide verschijnselen zijn reacties op individuele lichaamsgeuren die we hebben geleerd [5, p. 278 ev, 27]. Deze lichaamsgeuren weerspiegelen de individualiteit van onze genetische samenstelling, inclusief het enorm variabele major histocompatibility complex (MHC) van het immuunsysteem [28,29]. Het is mogelijk dat we geur kunnen gebruiken om partners te kiezen die genetisch van ons verschillen in de MHC. Dit werd voor het eerst aangetoond bij mensen door Wedekind's 'stinkende T-shirt'-experimenten [30,31], hoewel replicaties inconsistent zijn geweest en het bevestigen van de op MHC gebaseerde keuze van partners in natuurlijke menselijke populaties een uitdaging is [5, p. 281 ev, 28,32]. Het idee om partners te kiezen op basis van geur heeft geleid tot de zogenaamde 'Feromoonfeesten', waarbij deelnemers aan T-shirts ruiken die door andere feestgangers worden gedragen (bijv. [33]). De 'feesten' zijn echter verkeerd genoemd: ze gaan over individueel geuren en mogelijke genetische compatibiliteit, geen feromoonmoleculen die bij alle mannen of bij alle vrouwen identiek zijn.

4. Er is geen wetenschappelijke basis om androsteenmoleculen 'menselijke feromonen' te noemen

Er zijn twee golven van experimenten geweest met androgeen-gerelateerde androsteen-steroïde moleculen waarvan beweerd wordt dat ze 'menselijke feromonen' zijn (handig weergegeven in [34]). Vanaf het einde van de jaren zeventig tot de jaren negentig waren de gebruikte moleculen androstenon (5α-androst-16-en-3-one) en androstenol (5α-androst-16-en-3α-ol, afwisselend afgekort als 5α-androstenol of 3α- androstenol). Vanaf 1991 en vooral na 2000 kwamen er twee verschillende moleculen, androstadienon (Δ4,16-androstadien-3-on) en estratetraenol (estra-1, 3,5(10),16-tetraen-3-ol). in plaats daarvan aangenomen als de moleculen die 'vermeende menselijke feromonen' worden genoemd, gebaseerd op niet-gepubliceerde identificaties door een Amerikaans bedrijf.

Opmerkelijk is dat er eenvoudigweg geen peer-reviewed, bioassay-bewijs (van de systematische soort beschreven in §2) is dat een van deze vier moleculen is een menselijk feromoon [5,35-38]. Door de moleculen 'vermeende menselijke feromonen' te noemen, zoals veel auteurs doen, ontwijkt het probleem niet: het is nooit aangetoond dat het menselijke feromonen zijn, 'vermeend' of anderszins.

(a) Androstenon en androstenol

De bevinding dat moleculen met feromonale effecten bij varkens ook detecteerbaar waren in menselijke oksels was voldoende om sommige onderzoekers (bijv. [39,40]) ertoe te brengen androstenon en/of androstenol als menselijke feromonen te beschouwen [35,37,38,41]. Hoewel feromonen niet uniek hoeven te zijn voor een soort, volgt hieruit niet dat, omdat een soort een molecuul gebruikt, andere niet-verwante soorten het noodzakelijkerwijs waarschijnlijk als feromonen zullen gebruiken [5]. Wat androstenon waarschijnlijk populair maakte bij onderzoekers, was de commerciële beschikbaarheid van het molecuul in spuitbussen als Boarmate™, voor gebruik in de varkenshouderij. Experimenten waren bijvoorbeeld het spuiten van de onderkant van sommige stoelen in een wachtkamer en kijken welke stoelen door vrouwen en mannen werden gekozen. Doty [35, p. 141 ff] bekritiseert veel van de experimenten in detail en wijst op een slecht experimenteel ontwerp, statistische fouten en kleine steekproefomvang. De meer fundamentele kritiek is simpelweg dat er geen bewijs was om het gebruik van deze moleculen bij mensen in de eerste plaats te rechtvaardigen, in plaats van een van de honderden andere moleculen die in menselijke oksels worden gevonden (bijv. [42]).

(b) Androstadienone en estratetraenol

Deze moleculen werden gepresenteerd als 'vermeende menselijke feromonen' door Monti-Bloch & Grosser [43] op een conferentie in 1991, gesponsord door de EROX Corporation, die commerciële belangen had in menselijke feromonen. De twee moleculen behoorden tot de vijf, alleen beschreven door codenummers, die waren getest door Monti-Bloch & Grosser [43]. De auteurs gaven helemaal geen details over hoe deze moleculen werden geëxtraheerd, geïdentificeerd, bioassay en aangetoond dat het de 'vermeende feromonen' van de titel van het artikel zijn, alleen een voetnoot: 'Deze vermeende feromonen werden geleverd door EROX Corporation' [43]. Een later patent, toegekend aan de EROX Corporation, op 'Fragrance composities die menselijke feromonen bevatten' [44], gaf geen details over hoe de moleculen tot stand kwamen, maar onthulde dat de twee gecodeerde moleculen beweerden de grootste en meest geslachtsspecifieke effecten op het andere geslacht in Monti-Bloch & Grosser [43] waren androstadienone en estratetraenol, blijkbaar van respectievelijk mannen en vrouwen.

Deze twee moleculen, androstadienon en estratetraenol, zouden in de vergetelheid zijn gebleven zonder een artikel van Jacob & McClintock [45] over het effect van deze moleculen op de stemming van mannen en vrouwen. Hoewel de onderzoekers niet geassocieerd waren met de EROX Corporation, werden de moleculen expliciet gekozen omdat ze waren voorgesteld door Monti-Bloch & Grosser [43], Berliner [44] en Monti-Bloch et al. [46].

Jacob & McClintock [45] is meer dan 150 keer geciteerd (Google Scholar, 23 oktober 2014) en de moleculen en de door hen gebruikte concentraties zijn tot op de dag van vandaag traditioneel geworden in een groot deel van het veld. However, while Jacob & McClintock [45] were fairly cautious, commenting that ‘ … it is premature to call these steroids human pheromones' [45, p. 76], this advice has been forgotten by most later authors.

(c) Positive results from un-evidenced molecules are likely due to false positives, positive publication bias and other problems

The fundamental problem with the experiments using androstene molecules such as androstenone, androstenol, androstadienone or estratetraenol is that, however well designed and carried out the experiments are, there is no scientific basis for treating these molecules as human pheromones. This has been pointed out often from the 1980s to the present (e.g. [35,37,38,41,47]) but the attraction of studies on androstadienone and/or estratetraenol seems unstoppable.

More than 40 papers claiming psychological and/or physiological effects of androstadienone and/or estratetraenol have been published since 2000 (many studies are tabulated in [34]). These range from studies of physiological effects such as Bensafi et al. [48] to the assessment of the gender of computer-generated walking figures [49].

Detailed critiques of some individual studies are presented in Doty [36], Wysocki & Preti [37], and at book length in Doty [35]. More generally, however, because there is no evidence that these molecules have any pheromone activity we should be sceptical about positive results as we have no justified expectation of an effect. Experiments in this and related fields tend to be statistically underpowered, not least because of small sample sizes and overestimates of effect size in the absence of a priori evidence of effects [50–52]. Both the direction and magnitude of the effects in ‘significant’ findings in underpowered studies are likely to be wrong [50,52–55]. Such problems can be compounded by experimenter phenomena such as stopping experiments when significance is reached and flexible statistical analysis [56], combined with positive publication bias (the ‘desk-drawer effect’), when positive results are more likely to be published [51,57]. As in other areas of biology, full replication is rare. In summary, apparently positive results do not, in isolation, demonstrate that these molecules are pheromones.

Even if some of these reported effects should turn out not to be false positives, they do not establish that the androstenes are pheromones: all sorts of non-pheromone odours such as plant odours are reported to have measurable effects on physiology and mood [35, p. 164 ff]. For example, inhaling volatile plant essential oils such as pepper oil, fennel oil or rose oil affects sympathetic activity in adults, shown by changes in blood pressure and plasma catecholamine levels including adrenaline concentrations [58]. In a study of the effects on mood, lemon oil odours reliably enhanced positive mood compared with lavender oil and a water control [59]. However, even these kinds of results can depend on what human subjects are primed to expect (e.g. [60]).

(d) Why have androstadienone and estratetraenol been so popular with researchers despite the lack of evidence?

Two main factors may have led to the widespread adoption of these two molecules despite the lack of evidence that they were pheromones: first, the initial endorsement in 2000 [45] by an influential scientist, McClintock, from a prestigious institution, the University of Chicago second, the attractive illusion that, by using these now endorsed and commercially available molecules, researchers could contribute to an interesting area of science without access to the kind of laboratory, chemical expertise or collaboration needed to study pheromones. Researchers would have been reassured by a growing and self-referential literature which took as a given that these were ‘putative human pheromones', which would have been reinforced by peer-review by others using the molecules. The source Monti-Bloch & Grosser (1991) paper [43] is frequently cited (about 150 times to-date, Google Scholar, 23 October 2014) but seems to be rarely read so the lack of any evidence is missed.

5. Some studies have used human armpit or other secretions

Some studies have investigated natural secretions of molecules (reviews in [35,61]). These studies have the advantage that, even though the molecules are unknown, the concentrations used are natural. For example, studies have explored the effect of sniffing axillary (armpit) sweat from individuals watching sexually arousing films (e.g. [62]) and other studies have used sweat from people exposed to exam stress (e.g. [63]). Both situations, sexual or fearful, would lead to emotional release from armpit apocrine glands [64] and we currently do not know if the secretions differ between the situations [5].

Female tears are reported in one study to affect men's blood testosterone levels but the biological significance or relevance is not clear [65]. As the researchers note, they were not able to test male tears. Female axillary and vulvar scents sampled at periovulatory and late luteal phases of young women are reported to modify men's salivary testosterone and cortisol levels [66].

Pheromone-mediated menstrual synchrony (the convergence in the cycles of women living in close proximity) was reported in 1998 by Stern & McClintock [67]: extracts of armpit secretions from women at different stages in their cycles were put on the upper lip of other women. There has been lively debate about the phenomenon of synchrony itself, quite apart from pheromones. While some studies since the original 1971 paper by McClintock [68] have found synchrony, other studies have failed to do so. There is also a lack of evidence that it occurs in situations where we might expect it, for example among Dogon women in Mali, who share accommodation at menstruation [69]. Methodological questions and statistical doubts suggest that the phenomenon of synchrony might be an artefact (see [35, p. 168 ff, 36]).

6. We should restart the search for human pheromones from scratch using the techniques well established for other organisms

At the turn of the twentieth century, Havelock Ellis [70] was inspired by Darwin [18] to speculate at length about the possible role of musk-like smells in sexual selection in humans. In 1971, Comfort [71] was upbeat about a search for human pheromones, prompted by McClintock's [68] paper on menstrual synchrony and the apparent pheromonal effects of vaginal fatty acids (‘copulins') in rhesus monkeys [72] (later questioned, see [73] and references therein). Sadly, reading the current literature, I conclude reluctantly that our understanding of human pheromones has hardly advanced in the more than 40 years since Comfort [71].

If we are to find pheromones we need to treat ourselves just as if we were a newly discovered mammal. We need a scientific and systematic search for potential molecules, common to one or both sexes, which have reliable effects. These will be real candidate molecules (in contrast to the current ‘putative’ pheromones). This kind of approach has worked well in other animals, including mammals, so I find no reason that it should not work in principle in humans, notwithstanding the greater controls for the complexity and sophistication of our behaviour and influences of culture that we will need to include [5].

In any event, the isolation of human pheromones needs to be guided by the essential steps outlined in §2: demonstration of a behavioural or physiological response mediated by an odour, development of robust bioassays, identification and synthesis of the bioactive molecule(s), followed by bioassay confirmation of activity [5, p. 49 ff].

(a) Identifying appropriate bioassays will be a major challenge

A fundamental problem for studying humans is that, with few exceptions (e.g. §7), we have not identified biological phenomena, involving olfaction and potentially mediated by pheromones, that are sufficiently well defined to allow for an unambiguous bioassay [5]. Among the other challenges is cultural conditioning of responses to odours which may render them unimportant or repellent. We know from other mammals, such as the hamster, that responses depend on a complex interaction of previous experience and the context of the message we should expect human responses to be no less complex [5]. There are many unknowns. For example, if we do have sex pheromones they might be involved in intimate foreplay, not distance attraction. It may be that the first human pheromones to be identified will concern babies not sex (§7).

When we do have appropriate bioassays and have identified well-based potential molecules to test, the expertise and techniques for stimulus delivery and experiments already developed by the many teams currently investigating olfaction in humans and other primates will be invaluable (e.g. [19,74–81]). They have developed careful double-blind designs, controls, sophisticated delivery of molecules, and many refined approaches to measure responses.

(b) The search for molecules needs to cover the whole body

While there are exceptions (e.g. [65,66]), traditionally, human pheromone researchers have tended to look at armpits. There are some good reasons, as axillary (armpit) scent glands are unique to humans and the great apes [20]. Armpits may also simply be among the least embarrassing places to sample.

However, there are many reasons for looking beyond our armpits. First, is that the odours thought by (mostly) Western scientists to be characteristic of armpits are largely absent in most people in northeast Asia, who comprise about 20% of the World's population. About 95% of people in China are homozygous for a variant of gene ABCC11 which means they secrete very little of the odour precursors secreted by most people of European and African descent [82]. The single nucleotide polymorphism (SNP) was first noted as it also leads to white earwax. Whatever the reason for the spread of the SNP, it seems that having less smelly armpits is not a disadvantage in finding a partner perhaps these molecules are not important for sex [5]?

Second, while the apocrine glands, which provide most of the odorous secretions in the human armpit, may turn out to be involved, in most other mammals it is the sebaceous glands that are most important in chemical communication (and which differ most between species) [5,35, p. 126]. Perhaps sebaceous glands are the ones we should be researching. Sebaceous glands are found over most of the body, notably on the upper chest, back, scalp, face and forehead. The eyelids, the ear canals, the nostrils, the lips, the buccal mucosae, the breasts, the prepuce and the anogenital region all contain specialized sebaceous glands [36].

(c) The sampling and analytical techniques are ready

Recent advances in analytical techniques make the search for human pheromones more achievable than ever before. The search should use the well-established protocols established for sampling and identifying the pheromones and other molecules produced by other animals (e.g. [5,80,83]). We are simply another animal. Guidelines for good practice in reporting identifications of molecules in pheromone studies already exist, for example, in the Journal of Chemical Ecology [84].

(d) Methods for narrowing down the candidate molecules for bioassay

A major challenge when researching mammals is that secretions often include hundreds if not thousands of different molecules (figure 1) (e.g. human armpits analysed by Penn et al. [42]). One strategy to cope with this is illustrated by a study of male goat pheromones: since activity of the male scents was androgen-dependant, Murata et al. [16] looked for the molecules missing in the secretions of castrated male goats to find candidate molecules to test on females (figure 1). Only a systematic bioassay-led approach allowed Murata et al. [16] to identify the main pheromone component, 4-ethyloctanal. This molecule barely showed above the base-line at approximately 28:30 min in the top trace (figure 1) (compare upper and lower traces). Tens of other molecules on the upper trace had higher peaks.

For humans, we could compare, for example, differences in the molecules given off by adult males, adult females and children before puberty. The changes in the smells we give off as we become adults are due in large part to the development of sebaceous and apocrine skin glands at puberty, as in other mammals [5], including other primates [19,20].

Another potential approach to find candidate pheromone molecules in the distant future could be based on identifying the ligands for human olfactory receptors (ORs) [85] that are highly conserved (in contrast to most human ORs which are highly variable between individuals [86,87]). Highly conserved ORs might result from strong stabilizing selection against mutations reducing sensitivity in pheromone-detecting ORs [5]. (Incidentally, receptors involved in detecting androstenone and androstadienone are among the ORs that are highly variable between individuals [88].) However, to-date few human ORs have been characterized and only approximately 10% have been linked to their ligands [85,86] so such an approach is currently hypothetical. In addition, some ORs might be highly conserved because they are also expressed in other tissues (e.g. OR17–4 in sperm, [89]). In any event, we will still need bioassays of candidate molecules discovered in this or other ways.

(e) To avoid publication and other biases, we need to encourage best practice including preregistration and replication

As we restart the search for real phenomena, I hope researchers on human pheromones will become pioneers of approaches to remove the biases such as positive publication bias and use sufficiently high-powered experiments (for examples of potential bias and suggested solutions, see [50–52,57,90]). These approaches could include preregistration of studies (e.g. [91]) to avoid cherry-picking of analysis afterwards in search of a desired result and to encourage publication of null results. Similarly, we should separate hypothesis-generating (exploratory) and hypothesis-testing confirmatory research [92]. Adoption of large-scale collaborative research with a strong replication culture would be a big challenge but it could transform the field [90].

7. The suckling response of human babies to areola gland secretions points to our best candidate pheromone

Historically, human pheromone research has focused on sex pheromones, but given our other highly developed senses in adulthood, sex may not be the right place to look first. Instead, suckling is one behaviour in mammals where smell is known to be ubiquitously important [93]. The secretion produced by lactating human mothers from areola (Montgomery's) skin glands around their nipple may contain a good candidate human pheromone [93–95]. The glands combine sebaceous and milk glands. If the secretion, taken from any mother, is put under any sleeping baby's nose, the baby responds with sucking and nipple-search behaviour [94,95]. This bioassay opens up the possibility of finding the stimulus molecule(s) common to all human mothers' areola secretions. Identifying and synthesizing this pheromone could be medically important as the healthy survival of newborns depends crucially on successful suckling in the hours just after birth [93,94]. As a study focus, newborns have the advantage that their behaviour is the least complicated by learning and cultural differences.

8. There are wider future challenges beyond experimental ones

Quite apart from the experimental issues described above, there are other challenges.

(a) Funding for research into human olfaction and pheromones is a low priority

As well as its intrinsic scientific and human interest, if human pheromones were to be found this could open up new medical interventions and drug leads. A human mammary pheromone, if found, could be a lead for an externally applied drug facilitating prompt initiation of suckling by newborn babies (crucial for their healthy survival, [93]). If reproductive effects of human pheromones were to be found, such as the controversial phenomenon of menstrual synchrony (above), then this could provide leads for new concepts in contraceptive drugs, for example.

However, human olfaction is not seen as a health funding priority, even though losing your sense of smell significantly reduces the quality of life [96–98]. An indication of society's relative concerns is perhaps given by the founding dates of United Kingdom's organizations for blind people (1868), deaf people (1911), but not until 2012 for people affected by smell and taste disorders (Fifth Sense). Perhaps indicative of funding agencies worldwide, the UK Medical Research Council's priorities may be reflected by specific mentions of vision and hearing (but not smell) under its ‘sensory neuroscience research’ remit [99].

Research funding may have to specifically encourage serious study on human pheromones. The research is interdisciplinary by its nature and though good chemistry is essential, the molecules are unlikely to be exciting in themselves to chemists. Breakthroughs are unlikely to come within 3 year timescales common to grants. Instead we will need to provide long-term funding to get the subject moving.

(b) Human sex research is also a low priority

If we want to research the possible role of pheromones in human sexual activity, we will need to research intimate sexual behaviour itself for example, oral sex (cunnilingus and fellatio) may allow partners to sample odours. Without an understanding of sexual behaviours we will not be able to design bioassays. However, despite the importance of sex in human life and health, research on the physiology and behaviours involved is surprisingly little funded.

9. Conclusion

We do not yet know if humans have pheromones. However, to find out, we will need a new approach, applying the rigorous techniques that have been effective in the discovery of pheromones in other mammals. The steroid molecules, such as androstadienone and estratetraenol, which have been claimed to be pheromones so widely and inappropriately, should be put aside. The new search will benefit from the techniques developed by olfactory researchers including those who have worked on the steroids previously. Human pheromone researchers could lead the field in embracing more rigorous protocols to reduce study biases. Some behaviours of babies do appear to be mediated by pheromones. These should perhaps be our focus initially before we take on other human behaviours for which we do not yet have robust bioassays. If a human mammary pheromone were to be found it would give greater confidence to researchers contemplating the search for other human pheromones.

It may be that we will find that there are no pheromones in humans. But we can be sure that we shall never find anything if we follow the current path. We need to start again.


Is an irresistible human pheromone possible?

Listen 7:56

(Sergio Mazurini /Big Stock Photo)

This story is from The Pulse, a weekly health and science podcast.

Researcher Jessica Gaby says it’s about time those who lack deep human connections in life start thinking more about body odor. Just maybe not how you would expect.

“I stopped wearing antiperspirant, I don’t know, 15 years ago,” Gaby said with a chuckle. “And yes, sometimes maybe I smell not perfect. But that’s part of the way that I smell as a human being, and either you’re going to be OK with it or you’re not. And I think for me, that’s a good screening tool.”

Gaby is an assistant professor of psychology at Middle Tennessee State University, where she studies how the sense of smell affects human interactions. She said our noses have the power to subtly nudge us toward certain emotions or behaviors, and away from others.

But can a specific scent do the same with other humans? The answer is complicated, Gaby said.

“Do you live someplace where people commonly wear antiperspirant deodorant, or do you not? Do you live someplace where people bathe every single day like obsessive Americans, or do you not? Do you live someplace that places a high value on perfume and cologne? Or do you live in a place where people want there to be no fragrance whatsoever, right? Those things are all contextual,” Gaby said.

Cultural preferences play a huge role in determining what and who smells good to some and bad to others. But while some bad scents — like the smell of rotting flesh — leave nearly all humans in disgust, countless movies, songs, and fragrance products have often imagined the opposite: an irresistible human pheromone so powerful even Batman can’t help but fall in love with his longtime foe.

John McGlone, a professor of animal science at Texas Tech University, said the idea isn’t that wild. Almost all animals, from insects to humans, secrete similar molecules that can be detected through smell.

“These molecules, their biochemistry, and the receptors are conserved across species through evolution all the way through,” McGlone said.

Subscribe to The Pulse

Stories about the people and places at the heart of health and science.

When a specific molecule triggers a reliable behavioral or physiological response within the same species of animal, it’s considered a pheromone. But how those molecules are interpreted can vary wildly depending on their concentration and the animal picking up the smell.

“There was a pheromone in a pine beetle that’s an aggregation pheromone. Now what that means is this beetle attacks pine trees, and when it starts feeding and finds a good pine tree, it puts out an aggregation pheromone which makes other beetles come to that site and eat that tree,” said McGlone. “Then when scientists were studying elephants in Africa, they discovered the same exact molecule was a sex pheromone in the elephant.”

Though humans may very well emit that same molecule, and a whole host of others considered pheromones among different animal species, it’s unclear at what level humans perceive those molecules, and whether we react to them in some hardwired way.

“Humans have evolved without a heavy reliance on the sense of smell. If you are a species that has developed a sex pheromone, let’s say that’s the same molecule as an insect, humans will have that same molecule, but they don’t perceive that as a sex pheromone in the human,” McGlone said. “What’s more, many pheromones are also situational, meaning the animal smelling the molecule must be primed to receive it for the molecule to trigger a response.”

The complexity of it all makes identifying any kind of human pheromone a tall task, Gaby said.

“It’s difficult to say that humans have pheromones, because we have not yet been able to characterize specific molecules that elicit predictable interactions,” Gaby said. “Humans are really messy creatures to study, right? There’s a lot of cognitive factors that might play into the way that you respond to an odor that other animals just don’t have, but it certainly seems like we are emitting certain chemical signals that have social value.”

Though no single molecule has been shown to trigger a reliable behavioral response among humans, Gaby said, there is evidence that olfaction plays a much bigger role in our emotions than we realize. She pointed to research that suggests the smell of women’s tears can quiet feelings of sexual arousal in men and that sweat can communicate levels of fear and anxiety as proof.

“So you are watching a movie, you see a scary thing, someone next to you can pick up on the fact that you are afraid,” Gaby said. “How did you create that odor so quickly? Is it waiting in your skin to be assembled? Because what we know evolutionarily is that things like this are costly, right? You can’t just produce infinite amounts.”

People produce their own smells, and then they layer other smells on top, like lotions, perfumes, and deodorants — and those manufactured smells might combine in different ways depending on factors like a person’s diet and their environment. Gaby’s research tries to tease those elements apart.

In a 2019 study, Gaby and her team sought to understand how “diplomatic odor” (that is, perfume and deodorant) might be affecting the perception of body odor. They gave participants clothing worn by two different people but sprayed with the same perfume. Participants received a small electrical shock when they smelled one piece of clothing, but not the other.

“And so what you hope to see is that they eventually develop this sort of expectation of a negative consequence to smelling the one odor, but not the other. So the question was, if the perfume is the thing that matters, then you should not be able to tell the difference between them. But if the underlying individual differences in their body odor are what is important, then you should be able to differentiate them, even though they’re both wearing the same perfume,” Gaby said.

The results showed just that. Participants could decipher which individual’s sweat was linked to the electrical shocks, despite attempts to mask it. People seemed to be responding and identifying something deeper than perfume. Researchers like Gaby just don’t fully know what exactly it is yet.

“We know there are individual differences in human body odor, both based on genetic and environmental factors,” Gaby said. “We don’t know if it’s that people process these perfumes on their skin differently, so the perfume itself might smell different on me than it smells on you. We certainly know anecdotally that that is true. So is it that people were picking up on the differences in the perfume itself? Or were they picking up on the underlying body odor differences, and just the perfume wasn’t sufficiently masking it?”

As for human pheromones, for now they remain the stuff of comic book villains and creepy pick-up artists.


Pheromones in Mammals

Releaser Pheromones

Many mammals (e.g., dogs and cats) deposit chemicals in and/or around their "territory". As these vaporize, they signal to other members of the species of the presence of the occupant of the territory.

Domestic rabbit mothers release a mammary pheromone that triggers immediate nursing behavior by their babies (pups). A good thing, too, as mothers devote only 5&ndash7 minutes a day to feeding their pups so they had better be quick about it.

Many animals, including mammals, signal with alarm pheromones. Although neither the source nor the chemical nature of alarm pheromones are known in any mammal, stressed animals release something that triggers quick behavior (e.g., flight or fight) in other members of their species. The pheromone is detected in a special cluster of cells located at the very tip of the nose and thus in a position to detected airborne molecules even before the vomeronasal organ (next paragraph) or nasal epithelium can. The detectors on these cells are primary cilia.

Primer Pheromones

Rats and mice give off pheromones that elicit mating behavior. However, the response is not immediate as it is in the releaser pheromones of mother rabbits and insects. Instead, detection of the pheromone primes the endocrine system of the recipient to make the changes, e.g., ovulation, needed for successful mating.

Primer pheromones are detected by the olfactory epithelium with which normal odors are detected and also in most mammals (but not humans) by the vomeronasal organ (VNO). The VNO is a patch of receptor tissue in the nasal cavity distinct from the olfactory epithelium. The receptors are G-protein-coupled transmembrane proteins similar to those that mediate olfaction, but encoded by entirely different genes.

The neurons leading from the VNO take a separate path into and through the brain.

Humans may have pheromones

It has long been noticed that women living close together (e.g., college roommates) develop synchronous menstrual cycles.

  • one prior to ovulation that tends to speed up the onset of ovulation in others
  • one after ovulation that tends to delay the onset of ovulation in other women.

Both pheromones are released from the armpits.

The pheromones are not detected consciously as odors, but presumably trigger the hormonal changes that mediate the menstrual cycle.


Pheromone

Onze redacteuren zullen beoordelen wat je hebt ingediend en bepalen of het artikel moet worden herzien.

Pheromone, any endogenous chemical secreted in minute amounts by an organism in order to elicit a particular reaction from another organism of the same species. Pheromones are widespread among insects and vertebrates they are also found in crustaceans but are unknown among birds. The chemicals may be secreted by special glands or incorporated in other substances, such as urine. They may be shed freely into the environment or deposited in carefully chosen locations. Pheromones are also used by some fungi, slime molds, and algae as attractants in reproduction organisms of complementary reproductive cell types grow or move toward each other.

Pheromones are widely used to promote aggregation. Among social insects such as termites and ants, several different pheromones may transmit the various messages needed to coordinate the complex activities of a colony. Some ants lay scent pheromones along a trail leading to a food source so that other members of the colony can find the food. Pheromones are also used to signal the presence of danger. A wounded minnow has been shown to release a chemical from specialized epidermal cells that elicits a dispersal response from the school. Pheromones play a role in sexual attraction and copulatory behaviour, and they have been shown to influence the sexual development of many mammals as well as of insects such as termites and grasshoppers. Such pheromones tend to last relatively longer and extend farther distances than alarm pheromones. Aspects of vertebrate parent-young responses are often elicited by chemical stimuli. Entomologists use particular sex-attractant pheromones and aggregation pheromones to lure and trap harmful insects.

Pheromones may be involved in human sexual response. In testing human vaginal secretions, scientists have identified fatty acids identical to several that are presumed to act as sex pheromones in other primates. The human female’s sensitivity to musklike odours is greatest around the time of ovulation, which some researchers interpret as proof of the ancestral presence of a musky pheromone in the male.

This article was most recently revised and updated by Robert Lewis, Assistant Editor.


You Can Stop Blaming Pheromones For Your Lousy Love Life

Pheromones have long been credited (or blamed) for our behavioral choices, most notably our choice of sexual partners. The idea that we could base such a seemingly personal choice on a unconscious chemical signal is fascinating but, is it real?

The answer is probably not - despite it being a widely held belief that humans make pheromones that affect our behavior - there is no scientific evidence to support that this is the case. But, it is still a question that garners much attention. In feite, Wetenschap magazine's special 125 th anniversary issue, included the question “Do pheromones influence human behavior?” on the list of 100 of the most interesting questions still remaining to be solved.

Despite the lack of evidence, the production of pheromones is widely regarded as true, mainly due to large amounts of anecdotal evidence. As any woman who ever lived in the dorms can tell you, it really does seem as though women’s menstrual cycles synchronize when large groups of women live together. This is termed "the dormitory effect" or “the McClintock effect” after the head researcher who performed a study to analyze the timing of college students cycles at Wellesley College. Although not well reported, major flaws in this study have since debunked this idea entirely, but the word has not reached the public and people still believe this effect to be true.

One of the reasons why the presence of human pheromones is easily assumed is because other animals use them all of the time. In many organisms, pheromones play a key role in their social behaviors. Insects and worms, for example, use pheromones to communicate everything from mating to important social behaviors such as aggregation (coming together in a group.) And, pheromones have been identified in mammals with much of the research being done in mice. However, we cannot simply extrapolate that to humans.

One area that adds to the confusion is that a smell does not equal a pheromone and a pheromone does not equal a smell. Pheromones, for any species, are defined as chemical signals. To peel back the layers even more, even if pheromones were identified in humans, we would also need to understand what senses them.

In order to really understand the complexity of pheromones in an animals, there are three parts to understand. The signal (pheromone,) the receptors on which it acts, and the behavioral response elicited.

Mammals that are known to use pheromones detect them through receptors found in the vomeronasal organ (VNO) - a part of the olfactory (smell) system. However, scientists agree that the VNO in humans is vestigial - a non-functional remnant of an organ that may have been used once but is no longer functioning.

The key to the answer of human pheromones may lie not in our choices of sexual partners, but rather in sleeping babies. Perhaps the most tantalizing evidence for the presence of pheromones lies in the experiments done that stimulate a sleeping baby to start sucking and searching for a nipple when the secretion from a lactating human mother’s areola skin gland (see figure below) is placed below the nose. A newborn's responses are inherently innate, and the response to a substance indicates the presence of a potential communication signal.

So, the questions surrounding the presence of pheromones in humans remain. And, although there is a possibility that we use them, it will be difficult to uncouple their role from the rest of our incredibly complex social mechanisms. We have so many other ways to get our messages across, perhaps, even if we did use pheromones at one time, they may not be superceded by conversation, body language. and emojis.


Human pheromones facts

Even though we might not be aware of this all the time, smell is one of our most important senses, highly connected with many behavioral patterns and emotions we are prone to. Namely, a single smell of a new washing detergent you have bought may remind you of the same one your grandmother has used, bringing back all the memories of joy and childhood happiness. However at the same time, smell of fire burning may force you to relive the near-death experience you might have had earlier etc. Basically, the smells we are capable of noticing actively influence us greatly. Yet, amazingly, there are smells which we cannot sense consciously, while still being quite influenced by them. These smells are called pheromones and are usually connected with sexual attraction and many other occasions related to this aspect of human existence.

We have noticed pheromones in animals since long time ago. They use them to attract each other, for mating purposes and many other things. What is more, many insects on the higher degree of the food chain use pheromones of their pray to attract them and thereby ambush them. All the importance of pheromones has therefore made us think about ones of our own. Do these exist? And if these do exist, how can pheromones affect us?

Humans and Their Pheromones

This area of human biology and psychology is still under research and a lot of things about pheromones are still left unknown. Still, we know that the notion of being sexy and attractive is highly connected to pheromones. Namely, both men and women are capable of detecting the smell of one another, even though this process is not done on a conscious level, and get attracted sexually due to the influence of some of these smells.

Speaking of homosexual preferences and the choices of these people, certain researches have shown that, for example, homosexual males pick up on the same male pheromones as heterosexual women do. Also, while a woman is ovulating, she emits this through a specific scent, which other males may notice and desire sexual intercourse for “mysterious” reasons.

Finally, since we desire to make money out of every single thing, there were theories that pheromones can be synthetically made and used for attracting other people. However, spraying something onto you may be less efficient than, let's say, letting your natural scent overwhelm the senses of your desired individual.