Informatie

1.5: Wat is wetenschap? - Biologie


Au!

Deze persoon in figuur (PageIndex{1}) krijgt een griepvaccin. U weet waarschijnlijk dat het krijgen van een vaccin pijn kan doen, maar het is meestal de moeite waard. Een vaccin bevat dode of veranderde vormen van "ziektekiemen" die normaal een ziekte veroorzaken, zoals griep of mazelen. De ziektekiemen in vaccins zijn geïnactiveerd of verzwakt zodat ze geen ziekte meer kunnen veroorzaken, maar ze worden nog steeds "opgemerkt" door het immuunsysteem. Ze stimuleren het immuunsysteem om chemicaliën te produceren die de werkelijke ziektekiemen kunnen doden als ze het lichaam binnendringen, waardoor toekomstige ziekten worden voorkomen. Hoe werd zo'n ingenieuze manier om ziekte te voorkomen ontdekt? Het korte antwoord is meer dan twee eeuwen wetenschap.

Wetenschap als proces

Je zou wetenschap kunnen zien als een grote en gedetailleerde hoeveelheid kennis, maar wetenschap is eigenlijk meer een proces dan een verzameling feiten. De echte focus van de wetenschap is de accumulatie en herziening van wetenschappelijke kennis. Wetenschap is een speciale manier om kennis te vergaren die gebaseerd is op bewijs en logica. Bewijs wordt gebruikt om ideeën continu te testen. Door de tijd heen, met het herhaaldelijk verzamelen en testen van bewijs, gaat de wetenschappelijke kennis vooruit.

We hebben al meer dan twee eeuwen kennis over vaccins verzameld. De ontdekking van het eerste vaccin, evenals het vaccinatieproces, dateert uit 1796. Een Engelse arts genaamd Edward Jenner merkte op dat mensen die besmet raakten met koepokken niet ziek werden van pokken, een vergelijkbare maar veel virulentere ziekte (Figuur (PageIndex{2})). Jenner besloot koepokken op een jong kind over te brengen om te zien of het hen zou beschermen tegen pokken. Hij schonk het kind koepokken door vloeistof van koepokkenzweren in de huid van het kind te krabben. Toen, zes weken later, krabde hij vloeistof van pokkenzweren in de huid van het kind. Zoals Jenner voorspelde, werd het kind niet ziek van de pokken. Jenner had het eerste vaccin ontdekt, hoewel aanvullende tests nodig waren om aan te tonen dat het echt effectief was.

Bijna een eeuw ging voorbij voordat het volgende vaccin werd ontdekt, een vaccin tegen cholera in 1879. Rond dezelfde tijd vond de Franse chemicus Louis Pasteur overtuigend bewijs dat veel menselijke ziekten worden veroorzaakt door ziektekiemen. Dit leverde Pasteur de titel van 'vader van de kiemtheorie' op. Sinds de tijd van Pasteur zijn er vaccins ontdekt voor tal van aanvullende ziekten die worden veroorzaakt door "ziektekiemen", en wetenschappers onderzoeken momenteel vaccins voor vele andere.

Voordelen van wetenschap

Medische vooruitgang, zoals de ontdekking van vaccins, is een van de belangrijkste voordelen van de wetenschap, maar wetenschap en wetenschappelijke kennis zijn ook cruciaal voor de meeste andere menselijke inspanningen. Er is wetenschap nodig om veilige auto's te ontwerpen, stormen te voorspellen, de opwarming van de aarde onder controle te houden, allerlei soorten nieuwe technologieën te ontwikkelen, stellen te helpen kinderen te krijgen en mensen op de maan te zetten! Het is duidelijk dat de diversiteit aan toepassingen van wetenschappelijke kennis enorm is!

Beoordeling

  1. Leg uit waarom wetenschap nauwkeuriger wordt beschouwd als een proces dan als een geheel van kennis.
  2. Noem drie specifieke voorbeelden van menselijke inspanningen die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis.
  3. Jenner gebruikte een jonge jongen als onderzoekspersoon in zijn onderzoek naar het pokkenvaccin. Tegenwoordig moeten wetenschappers strikte richtlijnen volgen bij het gebruik van proefpersonen in hun onderzoek. Welke unieke zorgen zouden er volgens u kunnen ontstaan ​​wanneer mensen als onderzoekssubjecten worden gebruikt?
  4. Wat bracht Jenner op het idee om een ​​vaccin tegen pokken te ontwikkelen?
  5. Waarom denk je dat er bijna een eeuw verstreken is tussen de ontwikkeling van het eerste vaccin (tegen pokken) en de ontwikkeling van het volgende vaccin (tegen cholera)?
  6. Hoe beïnvloedt de wetenschap uw dagelijks leven?

Plattsmouth High School

Dagelijkse planning:

13/14 mei: De studenten beschrijven de stappen van biogeochemische cycli en de impact van de conservatiebiologie. Onderwerp: Chemische cycli en conservatiebiologie. Videos: Biogeochemische cycli: https://youtu.be/ccWUDlKC3dE. Eutrofiëring: https://youtu.be/AxaWXWd2pw4 HW: Lees paragrafen 36.3, 36.4 en 36.5 in het boek, vul werkblad 36.345 in. Voltooi de Ecology Kahoot: https://create.kahoot.it/share/biology-ch-34-35-36-ecology/cebaa0ba-cbdb-438e-b8e7-6530e9035549

11/12 mei: De studenten zullen beschrijven hoe materie en energie door ecosystemen stromen. Onderwerp: Energiestroom en voedselketens Videos: Ecosystemen en ecologische netwerken: https://youtu.be/-bE-Pydad7U. Stroom van energie en materie: https://youtu.be/TitrRpMUt0I. HW: Lees paragrafen 36.1 en 36.2 in het boek, vul werkblad 36.12 in.

06/07 mei: De studenten beschrijven gemeenschapsecologie. Onderwerp: Gemeenschapsecologie en opvolging Videos: Geïntroduceerde soorten: https://youtu.be/A495e31cDdE Ecologische successie: https://youtu.be/r1ywppAJ1xs HW: Lees paragrafen 35.4 en 35.5 in het boek, vul werkblad 35.45 in.

04/05 mei: De studenten beschrijven de oorzaken en gevolgen van bevolkingsgroei. Onderwerp: Populaties Videos: Exponentiële en logistieke bevolkingsgroei: https://youtu.be/A495e31cDdE Bevolkingsregeling: https://youtu.be/6IS_M6CX7FE Predator Prey Cycles: https://youtu.be/NYq2078_xqc Thomas Malthus: https://youtu. be/r1ywppAJ1xs HW: Lees paragrafen 35.1, 35.2 en 35.3 in het boek, vul werkblad 35.123 in.

29/30 april: De studenten zullen de verschillende biomen beschrijven. Onderwerp: Biomen Videos: Ecosystemen en biomen: https://youtu.be/A495e31cDdE HW: Lees paragrafen 34.3 en 34.4 in het boek, vul werkblad 3434 in.

08/09 april: De studenten zullen voorbeelden van evolutie in gezondheid en geneeskunde beschrijven. Onderwerp: Evolutie en Gezondheidswetenschappen. Video: Bekijk collegevideo 14.5. HW: 14,5 blz. 319 #1-2, Kahoot! en scerenshot-score: https://create.kahoot.it/share/biology-ch-14-evolution/d733cdc2-3f26-4482-9cd6-d060dd43c224

06/07 april: De studenten zullen beschrijven hoe natuurlijke selectie het mechanisme is voor evolutie door micro-evultie in populaties te identificeren. Onderwerp: Natuurlijke selectie en micro-evolutie. Video: Bekijk collegevideo's 14.3 en 14.4. HW: 14,3 pg 308 #1-3, 14,4 pg 316 #1-5

01/02 april: De studenten zullen het bewijs voor evoluties identificeren en beschrijven. Onderwerp: Bewijs voor evolutie. Video: Bekijk collegevideo's 14.2a en 14.2b. HW: 14,2 blz. 304 #1-4.

30/31 maart: De studenten zullen evolutie beschrijven, en haar veelvoorkomende misvattingen. Onderwerp: Darwin en evolutie. Video: Bekijk collegevideo's 14.1a en 14.1b. HW: 14,1 blz. 298 #1-4.

25/26 maart: Maak kennis met e-learning en Zoom! Onderwerp: De leerling kan verbanden leggen tussen genen en evolutie door middel van een video over de domesticatie van honden. Video: Honden gedecodeerd (https://www.dailymotion.com/video/x1e1ahn) HW: Werkblad over video.

BEGIN MET ONLINE LEREN

UPDATE :Bij terugkomst doen we direct de Ch 12 test (6e en 8e uur). In de tussentijd zal ik informatie plaatsen over onze volgende eenheid. Blijf ons volgen voor meer info!

13-20 maart: Voorjaarsvakantie!

12/23 maart Blok:OA 1: Hoe kan een mutatie ervoor zorgen dat een hele soort verandert? Hoofdstuk 14: Evolutie. Darwins theorie. PPT: 14.1 HW: 14.1 pg 298 #1-4 OA 2: Hoe kwamen we aan honden van alle groottes, kleuren, enz.?

10/11 mrt Blok: Honden gedecodeerd en opgeschreven. Ch 12 Test opnieuw uitvoeren

mrt 06/09 Blok:OA 7: Welk overervingspatroon is verantwoordelijk voor de verschillende bloedgroepen bij de mens? Hoofdstuk 12 TEST. OA's 1-7 vervallen.

mrt 04/05 Blok:OA 5: Wat is een geslachtsgebonden eigenschap? Geef enkele voorbeelden. Lab: Coin Flipping voor eigenschappen & ndash volgend blok. OA 6: Wat zijn autosomen? Wat zijn geslachtschromosomen? Beoordeling voor TEST! Voltooi Ch 12 Pakket.

mrt 02/03 Blok: Voltooi PPT 12.3. OA 4: Teken een stamboom waarbij de vader de eigenschap heeft, de moeder drager is, één zoon drager is, één dochter GEEN drager is en één zoon de eigenschap heeft. Polygene overerving en omgevingsinvloeden. PPT: 12.4. Oogkleurlab en verwacht volgend blok HW: Ch 12 Packet.

27/28 februari Blok:OA 2: Hoe krijgt een kind een dominante eigenschap? Wat zijn voorbeelden? Overervingspatronen PPT: 12.2. HW: Konijnenlab. OA 3: Als het kruisen van een rode bloem en een gele bloem resulteert in codominantie, hoe zullen de nakomelingen er dan uitzien? Menselijke chromosomen. PPT: 12.3

25/26 februari Blok: Voltooi GATTCA. OA 1: Wat is een stamboom? Stambomen. PPT: 12. Ch 11 Test opnieuw uitvoeren

21/24 februari Blok: GATTAC

19/20 februari Blok: Monsterlijke Mutaties Lab.

14/18 februari Blok: Hoofdstuk 11 TEST! OA's verschuldigd.

12/13 februari Blok:OA9: Waaruit bestaat de ruggengraat van een DNA-molecuul? Strawberry Lab LabStrawberryDNA HW: DNA-modellen klaar! OA10: Wat zijn 3 verschillen tussen DNA en RNA?

10/11 februari Blok:OA7: Wat zijn de vier stikstofbasen van DNA? 4 stadia van DNA-replicatie, transcriptie en vertaling. OA8: Beschrijf kort 4 stadia van DNA-replicatie. Lees 11.4, 11.5 HW: DNA Crossword HW: 11.3 p234 #1-3, 11.4 p237 #1-3, 11.5 p241 #1-5

Feb 06/07 Blok:OA5: Waarom is DNA-replicatie zo belangrijk? DNA en RNA Eén gen-één eiwit Lees 11.4, 11.5 Opmerkingen: PPT: bio11.4-5 OA6: Wat zijn de vier stikstofbasen van DNA? HW: 11.3 p234 #1-3, 11.4 p237 #1-3

04/05 februari Blok: OA3: Beschrijf een nucleotide. DNA-replicatie Lees: 11.4, 11.5 Opmerkingen: PPT: bio11.3 OA4: Wat is een codon? HW: werkblad DNA-replicatie

31 januari/01 februari: OA 1: Wat is DNA? Waar komt het vandaan? DNA-structuur. Lees: 11.1, 11.2, 11.3 . Opmerkingen: PPT: bio11.1-2 .Wat was de DNA-structuur beschreven door Watson en Crick? HW: CH 11 Pakket . Misschien: 11.1 p228 #1-3, 11.2 p231 #1-3

29/30 jan Blok: Kahoot, dan TESTEN! Hoofdstuk 10 &ndash Mendel & Meiose. Lever OA's 1-9 & 10.2 in. https://create.kahoot.it/k/993c44f2-5c3b-4898-9537-7eaff61d2417

27/28 jan Blok:OA 8: Kruis GgNn x GGnn en bepaal de fenotypische verhouding. Quiz! Monohybride kruising Finish Dihybride kruisingen (PPT:10.2), OA 9: Beschrijf de genotypen en fenotypes van: RR, Rr, rr. Punnett vierkante praktijk. Herzie hoofdstuk 10.

23/24 jan Blok: OA 7: Kruis 2 heterozygote ouders en bepaal de genotypische en fenotypische verhoudingen. Dihybride kruisen. HW: Dihybrid X-werkblad

22 jan: SNEEUW

20/21 jan Blok:OA 5: Wat is het verschil tussen dominante en recessieve allelen? Mendel PPT:bio10.2. OA 6: Wat is fenotype? Wat is genotype? Voltooi PPT 10.2 HW: Monohybride kruiswerkblad HW: 10.1 pg 207 #1-3 en 10.2 pg 213 #1-4 - uiterlijk vrijdag.

17 jan: SNEEUW

15/16 jan Blok: MAP testen.

13/14 jan Blok: OA 4: Wat is oversteken? Wat is non-disjunctie? Mendel PPT:bio10.2. OA 5: Wat is het verschil tussen dominante en recessieve allelen? HW: Begin Ch 10 Packet.

Jan 09/10 Blok: (College beurs) OA 2: Waarin verschilt meiose van mitose? Mendel. PPT:bio10.1 HW: 9.5 pg 197 #1-4 en 9.6 pg 201 #1-3 OA 3: Wat zijn enkele voorbeelden van diploïde cellen? Haploïde cellen? Inleveren Ch 9 Packet

07/08 jan Blok:OA 1: Wat zijn de stappen van mitose? Hoeveel paar chromosomen zitten er in een menselijke cel? Begin 2e helft van Hoofdstuk 9 &ndash Meiose PPT: bio9.5-9.6 HW: Ch 9-pakket

16-20 december: Eindbeoordeling en TEST

13/16 dec. Blok: Laatste herziening

11/12 december Blokkeren: OA's inleveren. Beoordeling voor definitief.

09/10 blok:OA 12: Wat zijn de stappen van de wetenschappelijke methode? Ch 7-8 Quiz Opnieuw/Opnieuw doen. OA 13: Wat zijn de belangrijkste onderdelen van een atoom? Ch 7-8 test opnieuw uitvoeren.

05/06 dec Blok:OA 10: Wat zijn de producten van fotosynthese? Review voor Ch 7-8 quiz! OA 11: Wat is de definitie van biologie? QUIZ! H 7-8.

03/04 dec Blok: OA 8: Welke 3 dingen zijn nodig om fotosynthese te laten plaatsvinden? Fotosynthese ging door. PPT: bio8.2-3. HW: Ch 8 Pakket. OA 9: Wat zijn de 2 stadia van fotosynthese?

22 nov/02 dec Blok:OA 5: Wat zijn de 3 stadia van cellulaire ademhaling? Begin Ch 7-pakket. OA 6: Hoeveel ATP produceert elk stadium van cellulaire ademhaling? OA 7: Hoe zijn cellulaire ademhaling en fotosynthese tegengesteld? Fotosynthese PPT: bio8.1. HW: kruiswoordraadsel

25/26 nov Blok: Mars van de pinguïns

20/21 nov Blok:OA 3: Hoe komen autotrofen en heterotrofen aan voedsel? Cellulaire ademhaling PPT: 7,5 - HW 7,5 pg 152 # 1-3, 7,6 pg 155 #1-3. OA 4: Hoe geeft ATP energie vrij? Ga door met 7,5 noten. Sectierevisies voltooien (verwacht volgend blok.)

18/19 nov Blok:OA 1: Wat is verantwoordelijk voor het omzetten van voedsel in energie in de cel? Energie in een cel PPT: 7,1 - HW 7,1 pg 137 # 1-3, 7,2 pg 141 #1-3. OA 2: Hoe komen planten aan voedsel? ATP en mobiel werk PPT: 7,3 - HW 7,3 pg 144 # 1-3, 7,4 pg 147 #1-4.

14/15 nov Blok: Kahoot, dan TESTEN! De cel begrijpen Ch 6-9. Lever OA's 1-10, Rev69, Mitosis Lab in. Kahoot: https://create.kahoot.it/share/biology-the-cell/061d1d71-0e7e-4a6d-8f64-f76efc21b0e3

12/13 nov Blok:OA 9: Wat is een fosfolipide, en waar vind je ze? Mitosis Lab: Interactief computerlab met les & ndash op woensdag (https://bio.rutgers.edu/

gb101/lab2_mitosis/index2.html). OA 10: Teken een chromosoom en label de onderdelen. Werk aan studiegids

Nov 08/11 Blok: OA 7: Wat zijn de fasen van mitose? Kanker PPT 9.4. OA 8: Welke dingen gebeuren er tijdens de profase? Hoe zit het met telofase? QUIZ over mitose. Ch 9 Packet en Ch 6-9 studiegids.

06 november/07 Blok: OA 6: Waarom delen cellen? Mitose. PPT: bio9.3 HW: mitoseschetsen en conceptcontroles 9.3-9.4

nov 04/ 05: OA 3: Definieer osmose. De celcyclus. PPT: bio9.1-9.2 OA 4: Beschrijf 2 structuren die helpen bij cellulaire voortbeweging. Organelle Quiz opnieuw. OA 5: Waar komen alle cellen vandaan? HW: Conceptchecks 9.1-9.2.

31 okt/01 nov Blok: OA 1: Wat is een celwand? Waar bestaat het uit? (Inleveren OA's 1-13). QUIZ! Organellen/membranen van de cel. (eerst studeren). OA 2: Welke organellen zijn verantwoordelijk voor de energieomzetting in de cel?

29 okt/30 Blok: OA 13: Wat zijn de 2 belangrijkste celtypes? Voltooi Microscope Lab 3 en conceptcontroles & ndash wordt morgen verwacht. Leer voor quiz! https://create.kahoot.it/share/biology-ch-6-cell-structure/3b249086-150b-4be9-a116-cb8f03883128.

23/28 okt Blok: OA 12: Wat is de belangrijkste functie van het plasmamembraan? Microscooplab 3

21/22 okt Blok: OA 10: Noem enkele eencellige eukaryote organismen. Celschetsen & ndash plant en dier plus organellen. OA 11: Noem 2 verschillen tussen plantaardige en dierlijke cellen. De volgende keer zijn er schetsen.

17/18 okt Blok: OA 8: Wat betekent "selectieve permeabiliteit"? Organellen, tegen. Voltooi PPT bio6.4 indien nodig. HW: 6.5 pg 129 #1-4, 6.6 pg 131 #1-3 & ndash volgende keer. OA 9: Beschrijf de functies van de: nucleolus, ribosomen, lysosomen, mitochondriën. Microscoop Lab 7-2

15/16 okt Blok: OA 7: Wat zijn de 3 soorten oplossingen die in de klas worden besproken, en wat gebeurt er met de cellen in elk van die oplossingen? Organellen van de cel & ndash groepsactiviteit PPT: bio6.4 HW: 6.4 pg 127 #1-3. Voltooi Ch 6 Packet & ndash de volgende keer.

11/14 okt Blok: QUIZ! Microscoop onderdelen. OA 6: Waarin verschilt actief transport van passief transport? Beschrijf de 2 soorten actief transport. Microscoopwet. 7-1.

09/10 okt Blok: OA 4: Teken een fosfolipide dubbellaag en label de onderdelen. Passief transport en actief transport. PPT: bio6.3 HW: 6,3 pg 122 #1-5. OA 5: Wat betekent "vloeibaar mozaïek"? HW: Ch 6 Pakket . Ch 4-5 Test Opnieuw DUE

07/08 okt Blok: OA 3: Wat zijn organellen? Wat is hun functie? Het plasmamembraan. PPT: bio6.2 HW: 6.2 pg 117 #1-2. Microscoophand-out, Inleiding tot laboratoria.

03/04 okt Blok: OA 1: Wat is de celtheorie? Inleiding tot de cel. PPT: bio6.1 HW: 6.1 pg 114 #1-4.OA 2: Beschrijf de verschillen van de 2 basisceltypes. Hoofdstuk 4-5 Test opnieuw uitvoeren

01/02 okt Blok: Kahoot eerst! TOETS! Hoofdstuk 4-5: Chemie van het leven. Lever OA's 1-10 en Ch 5-pakket in.

27/30 sept Blok:OA 9: Wat zijn de onderdelen van een oplossing? Finish Enzyme Lab - grafieken en analyse. OA 10: Wat zijn de 4 belangrijkste biomoleculen? HW: studiegids in de klas. TEST volgend blok!!

25/26 sept Blok:OA 7: Wat zijn zuren en basen, en waar vind je ze op de pH-schaal? Enzyme Lab HW: Ch 5 Packet OA 8: Wat zijn 4 unieke eigenschappen van water die nodig zijn voor het leven? Hoofdstuk 1 Vandaag opnieuw doen/opnemen!!

23/24 sept Blok: OA 5: Waarom vormen atomen verbindingen? Biomolecules PPT: 5.1 HW: Ch 4-pakket en eindig 4.1-4.4 (vandaag gepland). OA 6: Wat is het verschil tussen ionische bindingen en covalente bindingen?

19/20 sept Blok:OA 3: Hoeveel protonen en elektronen zitten er in een koolstofatoom? Hechting, reacties en water PPT: bio4.3-4.4 HW: 4.3 pg 80 #1-4. OA 4: Wat is een ion? Hoe wordt een atoom een ​​ion? Ga verder PPT: bio4.3-4.4 HW: 4.4 pg 83 #1-5.

17/18 september Blok:OA 1: Wat zijn de bouwstenen van materie? PPT: bio4.-4.2 HW: 4.1 pg 73 #1-3. OA 2: Wat zijn de 3 subatomaire deeltjes? Review subatomaire deeltjes. PPT: 4.1 verder HW: 4.2 pg 77 #1-4. Ch 1 Test opnieuw uitvoeren

Sept 12/16 Blok: Hoofdstuk 1 TEST! Lever OA's 1-13, Rev1 en CYOE in.

10/11 september Blok:OA 12: Definieer technologie en geef enkele voorbeelden. Kahoot-recensie !! https://play.kahoot.it/#/k/41e1d509-2593-4d84-9d9a-365e2b8e9ab4 OA 13: Hoe kun je zien of 2 organismen dezelfde soort zijn? Voltooi CYOE en schrijf op. HW: Rev1

Sept 05/09 Blok: OA 11 - Wat kun je creëren met kwantitatieve data? Ga door met CYOE. HW: eindig Ch 2-pakket. HW: Begin Ch 1 Review!

03/04 september Blok: OA 9 - Wat is het verschil tussen een conclusie en een theorie? OA 10 - Wat is in uw experiment uw onafhankelijke variabele? Afhankelijke variabele? Bekijk opmerkingen 1.3 en 1.4. Begin procedures voor CYOE (Ch 2-pakket voor degenen die niet voorbereid zijn).

29/30 aug Blok: OA 7 - Waarom is het belangrijk om een ​​controlegroep te hebben in een experiment? De aard van de wetenschap. PPT: bio1.3 Introductie Maak je eigen experiment. PPT: bio1.4. OA 8 - Wat is het verschil tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek? (Moet materialen hebben voor CYOE Monday!) Sluit 1.4 af en bespreek CYOE. Start eerste pagina (hypothese, procedures, etc.)

27/28 aug Blok: MAP-testen

23/26 aug Blok: OA 5 - Wat is homeostase? Geef een voorbeeld van hoe je homeostase handhaaft. De wetenschappelijke methode PPT: bio1.2. OA 6 - Wat zijn de stappen van de wetenschappelijke methode? Hoofdstuk 1 Samenvattingen en Pakket

21/22 augustus Blokk: OA 3 - Wat zijn enkele kenmerken die levende wezens gemeen hebben? Vijf kenmerken van het leven. Voltooi PPT: bio1.1. OA 4 - Wat zijn de 5 organisatieniveaus van levende wezens? HW: 5 Karakteristieken ws.

19/20 aug blok: OA 1 - Wat is de definitie van Biologie?. Wat is wetenschap? PPT: wetenschap. OA 2 - Noem 3 redenen waarom we wetenschap studeren. Wat is leven? Begin PPT: bio1.1 Groepsactiviteit.

15/16 aug Blok: Class Rules and Procedures + documenten (inleveren aanstaande vrijdag) en Powerpoint. Computeroverzicht. Leerling inventaris.


1.5: Wat is wetenschap? - Biologie



Elke lichaamscel deelt zich door mitose

Wat zijn de stappen bij DNA-transcriptie? Hoe codeert DNA voor onze kenmerken?

Vergelijk DNA met RNA

wat zijn de drie soorten RNA en wat doen ze?

Wat is de functie van transcriptie?

Wat zijn de stappen bij DNA-transcriptie? Hoe codeert DNA voor onze kenmerken?

Vergelijk DNA met RNA

wat zijn de drie soorten RNA en wat doen ze?

Dins 23: Wat zijn de stappen in RNA-transcriptie:

stappen in transcriptie:

1. RNA-polymerase vindt de promotor

2. RNA-polymeer. scheidt de 2 DNA-strengen.

3. complementaire RNA-nucleotiden op de DNA-sjabloonstrengen

4. zodra RNA is gemaakt, scheidt het zich van DNA

wo 24: Wat hebben schimmels, bomen en korstmossen (schimmels en algen) en de mens gemeen? Wat zijn de stappen van transcriptie?

huiswerk: vat de informatie op het werkblad Transcriptiekleuring samen.

Wo 17: Halve dag: Wat is DNA?

hoe kopieert het zichzelf? Hoe codeert het voor karakter?

Huiswerk: pag. 297-299 beantwoord vraag 2 van het werkblad DNA-structuur en -functie.

Donderdag 18: Kleurplaten voor DNA-replicatie.

Vr 19: Opmerkingen voor DNA-replicatie

Blok 1 biologie: Laat de leerlingen pag. 288-290 lezen. Beantwoord vragen #1-5.

Lees pagina's 100-105. Vul vragen 1-5 op pagina 105 in

Je kunt de les beginnen door ze een YouTube-video van atomen te laten zien (naar keuze welke!)

Blok 1: Compleet DNA-werkblad bijgevoegd. 15 exemplaren nodig.

Compleet bijgevoegd werkblad voor 4.2 De structuur van een atoom. blz. 108

Plannen voor morgen zijn om werkbladen 4.1 en 4.2 in te vullen.

Blok 1: Als ze klaar zijn met het DNA-werkblad, maak dan kopieën van hoofdstuk 12-werkbladen uit het Miller en Levin Biology-werkboek. Ze moeten 12-1 doen na het DNA-werkblad. Ze zullen morgen een 12-2 werkblad maken. Neem indien mogelijk het DNA-werkblad met hen door.

Blok 2: Vul vandaag werkblad 4.1 en 4.2 in.

Blok 1: Ga door met het bekijken van het werk dat de leerlingen al hebben gedaan. Vertel ze alsjeblieft dat ik het werk in hun cijferlijst zal opnemen zodra ze toegang hebben tot de cijferlijst.

Beantwoord de vragen 1-6 op pagina 118

Blok 1: Maak de DNA-werkbladen af

Blok 2, 4, 5: Laat de leerlingen werken aan opdrachten die ze deze week niet hebben afgemaakt en inleveren.

Vervangende plannen voor maandag 4/3

Aan Sub: maak alstublieft kopieën van 60 van 4.3 werkbladen uit het Physical Science werkbladboek.

Laat de leerlingen werkblad 4.3 invullen.

Vervangende plannen voor 4/4/17

Maak kopieën van de ch 12-2 student. Ik print meestal twee of drie dia's per pagina. Maak 15 dubbelzijdige kopieën. Laat de leerlingen naar mijn website gaan (ze weten allemaal hoe) en open de hoofdstuk 12 ppt-link, die zich bovenaan de webpagina bevindt. De leerlingen vullen de hand-outs in.

Laat de leerlingen werkblad 4.3 invullen. (gehecht)

Vervangende plannen voor 4/6/17

Blok 1: finish 12-2 Powerpoint. De volgende vragen kunnen beantwoorden:

Wat is DNA en waar wordt het gevonden?

Hoe repliceert DNA? (stappen en enzymen betrokken)

Werkblad 4.3 invullen (mevrouw Riggins heeft al kopieën gemaakt)

Subplannen voor vrijdag 4/7/17

Blok 1: meerdere leerlingen hebben DNA en het werkblad Double Helix niet ingeleverd.

(alleen Faith Dean en Dimira hebben het ingeleverd) . Ik heb alleen 12-3 werkblad van Amber. Laat de leerlingen al het ontbrekende werk inleveren.

Als de tijd het toelaat, laat ze dan deze video zien:

Lever al het ontbrekende werk in sinds 22-03

Compleet ellements vrienden of vijand werkblad bijgevoegd

Wat is DNA en waar wordt het gevonden?

Bekijk de Studiegids voor hoofdstuk 4 op pagina 120. Vul vragen 1-23 op pagina 121 in op een apart vel papier. Schrijf in volledige zinnen.

Opmerking voor Sub (mevrouw Riggins?) : Ik heb de werkbladen die ik voor al mijn lessen gebruik op de demonstratietafel naast mijn bureau geplaatst. Maak kopieën van hoofdstuk 4 en 5 (alle secties).

20 exemplaren van elk voor blok 1

Blok 1 Biologie: Lees pgs 334-337 Definieer alle vetgedrukte woorden in de lezing. Antwoord geven

Opmerking voor sub: maak kopieën van ch 15.1, 15.2 en 15.3 werkbladen dubbelzijdig en geniet. Ze hebben de werkbladen voor morgen nodig. Bedankt

Blokken 2,4 en 5: voltooi de beoordeling 5.3 op pagina 145 #1-10.

Blok 2 , 4, 5: Definieer woordenschat en beantwoord vragen op pagina 164 6.1 beoordeling #1-5

Tot onder: 1) Vertel de leerlingen dat we een nieuwe unit over ecologie gaan starten. We gaan in het leerboek terug naar hoofdstuk 3.

2) maak kopieën van werkbladen voor hoofdstuk 3 uit het werkboek. Laat de leerlingen de pagina, de opdracht en hun naam op al het werk schrijven.

Opdracht van vandaag: lees pagina's 56-59. Definieer alle vetgedrukte woorden beantwoord vragen 1-6

Blokken 2, 4, 5: Lees pagina's 446-452. Definieer Woordenschat op pagina 446 . vul de vragen 1-7 op pagina 452 in.

*maak alstublieft 15-1 werkbladen uit het werkboek voor morgen.

Blok 1: vul 3.1 werkblad in

Blok 2,4,5: werkblad 15.1 invullen.

*kopieer ch 15-2 werkblad a.u.b.

Lees pagina's 60-62. Definieer vocabulaire vraag 1-4 op pagina 62.

Blok 2,4,5: pg 448 voltooi wiskundeoefeningen #1-3 en rekenoefeningen op pagina 452.


Hoofdstuk 1
Wetenschappelijk denken
Uw beste manier om de wereld te begrijpen
Wetenschap is een proces om de wereld te begrijpen.
1.1 Wetenschappelijk denken en biologische geletterdheid zijn essentieel in de moderne wereld.
Een beginnershandleiding voor wetenschappelijk denken.
1.2 Denken als een wetenschapper: hoe gebruik je de wetenschappelijke methode?
1.3 Element 1: Waarnemingen doen.
1.4 Element 2: Formuleer een hypothese.
1.5 Element 3: Bedenk een toetsbare voorspelling.
1.6 Element 4: Voer een kritisch experiment uit.
1.7 Element 5: Trek conclusies, voer herzieningen uit.
Goed ontworpen experimenten zijn essentieel voor het testen van hypothesen.
1.8 Het controleren van variabelen maakt experimenten krachtiger.
1.9 Dit is hoe we het doen: Is arthroscopische chirurgie voor artritis van de knie gunstig?
1.10 We moeten oppassen voor onze vooroordelen.
1.11 Wat zijn theorieën? Wanneer worden hypothesen theorieën?
Wetenschappelijk denken kan ons helpen betere beslissingen te nemen.
1.12 Visuele weergave van gegevens kan ons helpen verschijnselen te begrijpen.
1.13 Statistieken kunnen ons helpen bij het nemen van beslissingen.
1.14 Pseudo-wetenschap en anekdotisch bewijs kunnen de waarheid verduisteren.
1.15 Er zijn grenzen aan wat de wetenschap kan doen.
Wat zijn de belangrijkste thema's in de biologie?
1.16 Belangrijke thema's verenigen en verbinden diverse onderwerpen in de biologie.

Hoofdstuk 2
The Chemistry of Biology: Atomen, moleculen en hun rol bij het ondersteunen van het leven
Atomen, moleculen en verbindingen maken leven mogelijk.
2.1 Alles is gemaakt van atomen.
2.2 De elektronen van een atoom bepalen of (en hoe) het atoom zich zal binden met andere atomen.
2.3 Atomen kunnen aan elkaar binden om moleculen en verbindingen te vormen.
Water heeft eigenschappen die het mogelijk maken om al het leven te ondersteunen.
2.4 Waterstofbruggen maken water samenhangend.
2.5 Waterstofbindingen tussen moleculen geven watereigenschappen die cruciaal zijn voor het leven.
Levende systemen zijn zeer gevoelig voor zure en basische omstandigheden.
2.6 De pH van een vloeistof is een maat voor hoe zuur of basisch de oplossing is.
2.7 Dit is hoe we het doen: Verslechteren maagzuurremmers de spijsvertering en verhogen ze het risico op voedselallergieën?

Hoofdstuk 3
Moleculen van het leven:
Macromoleculen kunnen energie en informatie opslaan en dienen als bouwstenen
Macromoleculen zijn de grondstoffen voor het leven.
3.1 Koolhydraten, lipiden, eiwitten en nucleïnezuren zijn essentieel voor organismen.
Koolhydraten kunnen levende machines van brandstof voorzien.
3.2 Koolhydraten omvatten macromoleculen die als brandstof fungeren.
3.3 Veel complexe koolhydraten zijn energiepakketten met een time-release.
3.4 Niet alle koolhydraten zijn verteerbaar voor de mens.
Lipiden hebben verschillende functies.
3.5 Lipiden slaan energie op voor een regenachtige dag.
3.6 Vetten in de voeding verschillen in verzadigingsgraden.
3.7 Dit is hoe we het doen: Hoe beïnvloeden transvetzuren de gezondheid van het hart?
3.8 Cholesterol en fosfolipiden worden gebruikt om geslachtshormonen en vliezen te maken.
Eiwitten zijn bouwstenen.
3.9 Eiwitten zijn bodybuilding macromoleculen die essentieel zijn in onze voeding.
3.10 De functie van een eiwit wordt beïnvloed door zijn driedimensionale vorm.
3.11 Enzymen zijn eiwitten die chemische reacties versnellen.
3.12 Enzymactiviteit wordt beïnvloed door chemische en fysische factoren.
Nucleïnezuren coderen voor informatie over het bouwen en besturen van een lichaam.
3.13 Nucleïnezuren zijn macromoleculen die informatie opslaan.
3.14 DNA bevat de genetische informatie om een ​​organisme te bouwen.
3.15 RNA is een universele vertaler die DNA leest en de eiwitproductie stuurt.

Hoofdstuk 4
Cellen
Het kleinste deel van jou
Wat is een cel?
4.1 Alle organismen zijn gemaakt van cellen.
4.2 Prokaryote cellen zijn structureel eenvoudig maar zeer divers.
4.3 Eukaryotische cellen hebben compartimenten met gespecialiseerde functies.
Celmembranen zijn poortwachters.
4.4 Elke cel wordt begrensd door een plasmamembraan.
4.5 Defecte membranen kunnen ziekten veroorzaken.
4.6 Membraanoppervlakken hebben een "vingerafdruk" die de cel identificeert.
4.7 Verbindingen tussen cellen houden ze op hun plaats en maken communicatie mogelijk.
Moleculen verplaatsen zich op verschillende manieren door membranen.
4.8 Bij pPassief transport is de spontane diffusie, van moleculen die spontaan over een membraan diffunderen.
4.9 Bij actief transport gebruiken cellen energie om moleculen door een celmembraan te transporteren.
4.10 Endocytose en exocytose worden gebruikt voor bulktransport van grote deeltjes in en uit cellen.
Belangrijke oriëntatiepunten onderscheiden eukaryote cellen.
4.11 De kern is het genetische controlecentrum van de cel.
4.12 Het cytoskelet biedt ondersteuning en kan beweging genereren.
4.13 Mitochondriën zijn de energieomzetters van de cel.
4.14 Dit is hoe we het doen: Kunnen cellen van samenstelling veranderen om zich aan te passen aan hun omgeving?
4.15 Lysosomen zijn de afvalverwijdering van de cel.
4.16 In het endomembraansysteem bouwen, verwerken en verpakken cellen moleculen en ontwapenen ze toxines.
4.17 De celwand biedt extra bescherming en ondersteuning voor plantencellen.
4.18 Vacuolen zijn multifunctionele opslagzakken voor cellen.
4.19 Chloroplasten zijn de zonne-energiecentrale van de plantencel.

Van de zon naar jou in slechts twee stappen

Energie stroomt van de zon en door al het leven op aarde.
5.1 Kunnen auto's op fritesolie rijden?
5.2 Energie heeft twee vormen: kinetisch en potentieel.
5.3 Naarmate energie wordt opgevangen en omgezet, neemt de hoeveelheid energie die beschikbaar is om arbeid te verrichten af.
5.4 ATP-moleculen zijn als oplaadbare batterijen die in alle levende cellen rondzweven.
Fotosynthese gebruikt energie uit zonlicht om voedsel te maken.
5.5 Waar komt plantaardig materiaal vandaan?
5.6 Fotosynthese vindt plaats in de chloroplasten.
5.7 Lichtenergie reist in golven.
5.8 Fotonen zorgen ervoor dat elektronen in chlorofyl in een aangeslagen toestand komen.
5.9 De energie van zonlicht wordt vastgelegd als chemische energie.
5.10 De opgevangen energie van zonlicht wordt gebruikt om suiker te maken.
5.11 In de strijd tegen honger in de wereld kunnen we planten gebruiken die zijn aangepast aan waterschaarste.
Levende organismen halen energie uit cellulaire ademhaling.
5.12 Cellulaire ademhaling: het grote geheel.
5.13 Glycolyse is de universele energie-afgevende route.
5.14 De citroenzuurcyclus haalt energie uit suiker.
5.15 ATP is ingebouwd in de elektronentransportketen.
5.16 Zo doen we het: Kunnen we jetlag tegengaan met NADH-pillen?
Er zijn alternatieve manieren om energie op te wekken.
5.17 Bier, wijn en sterke drank zijn bijproducten van het cellulaire metabolisme in afwezigheid van zuurstof.
Hoofdstuk 6
DNA en genexpressie

DNA: wat is het en wat doet het?
6.1 Kennis over DNA draagt ​​bij aan meer gerechtigheid in de wereld.
6.2 DNA bevat instructies voor de ontwikkeling en het functioneren van alle levende organismen.
6.3 Genen zijn stukjes DNA die instructies bevatten voor het maken van eiwitten.
6.4 Niet al het DNA bevat instructies voor het maken van eiwitten.
6.5 Hoe werken genen? Een overzicht.
Informatie in DNA stuurt de productie van de moleculen waaruit een organisme bestaat.
6.6 Bij transcriptie wordt de in DNA gecodeerde informatie gekopieerd naar mRNA.
6.7 Bij translatie wordt de mRNA-kopie van de informatie uit DNA gebruikt om functionele moleculen te bouwen.
6.8 Genen worden op verschillende manieren gereguleerd.
Schade aan de genetische code heeft verschillende oorzaken en gevolgen.
6.9 Waardoor ontstaat een mutatie en wat zijn de gevolgen?
6.10 Dit is hoe we het doen: Vermindert het gebruik van zonnebrandcrème het risico op huidkanker?
6.11 Defecte genen, die coderen voor defecte enzymen, kunnen leiden tot ziekte.

hoofdstuk 7
Biotechnologie
Gebruik maken van de genetische code

Levende organismen kunnen worden gemanipuleerd voor praktische voordelen.
7.1 Wat is biotechnologie en wat belooft het?
7.2 Aan tal van biotechnologische toepassingen liggen enkele belangrijke processen ten grondslag.
7.3 CRISPR is een hulpmiddel met het potentieel om een ​​revolutie teweeg te brengen in de geneeskunde.
Biotechnologie zorgt voor verbeteringen in de landbouw.
7.4 Biotechnologie kan voedsel, voeding en landbouwpraktijken verbeteren.
7.5 Belonen, met risico's: wat zijn de mogelijke gevaren van genetisch gemodificeerd voedsel?
7.6 Dit is hoe we het doen: Hoe kunnen we bepalen of ggo's veilig zijn?
Biotechnologie heeft het potentieel om de menselijke gezondheid te verbeteren.
7.7 Biotechnologie kan helpen bij de behandeling van ziekten en de productie van medicijnen.
7.8 Gentherapie: biotechnologie kan helpen bij het diagnosticeren en voorkomen van genetische ziekten, maar heeft beperkt succes gehad bij het genezen ervan.
7.9 Klonen biedt zowel kansen als gevaren.
Biotechnologie kan het strafrechtelijk systeem verbeteren.
7.10 Het gebruik (en misbruik) van DNA-fingerprinting.

Hoofdstuk 8
Chromosomen en celdeling

Er zijn verschillende soorten celdeling.
8.1 Onsterfelijke cellen kunnen problemen veroorzaken.
8.2 Sommige chromosomen zijn cirkelvormig, andere zijn lineair.
8.3 Er is voor alles een tijd in de eukaryote celcyclus.
8.4 Celdeling wordt voorafgegaan door chromosoomreplicatie.
Mitose vervangt versleten oude cellen door verse nieuwe duplicaten.

8.5 Overzicht: mitose leidt tot dubbele cellen.
8.6 De details: mitose is een proces in vier fasen.
8.7 Uit de hand gelopen celdeling kan kanker tot gevolg hebben.
Meiose genereert sperma en eieren en veel variatie.
8.8 Overzicht: seksuele voortplanting vereist speciale cellen gemaakt door meiose.
8.9 De details: Sperma en ei worden geproduceerd door meiose.
8.10 Mannelijke en vrouwelijke gameten worden op enigszins verschillende manieren geproduceerd.
8.11 Crossing over en meiose zijn belangrijke bronnen van variatie.
8.12 Wat zijn de kosten en baten van seksuele voortplanting?
Er zijn geslachtsverschillen in de chromosomen.
8.13 Hoe wordt het geslacht bij mensen (en andere soorten) bepaald?
8.14 Dit is hoe we het doen: Kan de omgeving het geslacht van het nageslacht van een schildpad bepalen?
Afwijkingen van het typische aantal chromosomen leiden tot problemen.
8.15 Het syndroom van Down kan al voor de geboorte worden opgespoord.
8.16 Het leven is mogelijk met te veel of te weinig geslachtschromosomen.

Hoofdstuk 9
Genen en erfelijkheid
Familiegelijkenis: hoe eigenschappen worden geërfd

Waarom (en hoe) lijken nakomelingen op hun ouders?
9.1 Je moeder en vader dragen elk bij aan je genetische samenstelling.
9.2 Sommige eigenschappen worden aangestuurd door een enkel gen.
9.3 Mendels onderzoek in de negentiende eeuw geeft informatie over ons huidige begrip van genetica.
9.4 Segregatie: je hebt twee kopieën van elk gen, maar elk sperma of ei dat je produceert heeft slechts één kopie.
9.5 Het observeren van het fenotype van een individu is niet voldoende om het genotype te bepalen.
Genetica-instrumenten benadrukken een centrale rol voor toeval.
9.6 Met behulp van waarschijnlijkheid kunnen we voorspellingen doen in de genetica.
9.7 Een testkruis stelt ons in staat om te achterhalen welke allelen een individu bij zich heeft.
9.8 We gebruiken stambomen om de overervingspatronen van genen te ontcijferen en te voorspellen.
Hoe worden genotypen vertaald in fenotypen?
9.9 De effecten van beide allelen in een genotype kunnen tot uiting komen in het fenotype.
9.10 Bloedgroepen: Sommige genen hebben meer dan twee allelen.
9.11 Hoe worden continu variërende eigenschappen zoals lengte beïnvloed door genen?
9.12 Soms beïnvloedt één gen meerdere eigenschappen.
9.13 Geslachtsgebonden kenmerken verschillen in hun expressiepatronen bij mannen en vrouwen.
9.14 Dit is hoe we het doen: Wat is de oorzaak van mannelijke kaalheid?
9.15 Milieueffecten: eeneiige tweelingen zijn niet identiek.
Sommige genen zijn aan elkaar gekoppeld.
9.16 De meeste eigenschappen worden als zelfstandige eigenschappen doorgegeven.
9.17 Genen op hetzelfde chromosoom worden soms samen geërfd.

Hoofdstuk 10
Evolutie en natuurlijke selectie

Evolutie is een continu proces.
10.1 We kunnen de evolutie vlak voor onze ogen zien plaatsvinden.
Darwin reisde naar een nieuw idee.
10.2 Vóór Darwin geloofden velen dat soorten in één keer waren geschapen en onveranderlijk waren.
10.3 Darwin observeerde levende organismen en fossielen over de hele wereld en ontwikkelde een evolutietheorie.

Vier mechanismen kunnen aanleiding geven tot evolutie.
10.4 Evolutie vindt plaats wanneer de allelfrequenties in een populatie veranderen.
10.5 Mechanisme 1: Mutatie - een directe verandering in het DNA van een individu - is de ultieme bron van alle genetische variatie.
10.6 Mechanismen 2: Genetische drift is een willekeurige verandering in allelfrequenties in een populatie.
10.7 Mechanisme 3: Migratie naar of uit een populatie kan de allelfrequenties veranderen.
10.8 Mechanisme 4: Wanneer aan drie eenvoudige voorwaarden is voldaan, vindt evolutie door natuurlijke selectie plaats.
10.9 Een eigenschap neemt niet in frequentie af simpelweg omdat ze recessief is.
Populaties van organismen kunnen zich aanpassen aan hun omgeving.
10.10 Eigenschappen die ervoor zorgen dat sommige individuen meer nakomelingen krijgen dan anderen, komen vaker voor in de populatie.
10.11 Door natuurlijke selectie kunnen populaties beter worden afgestemd op hun omgeving.
10.12 Er zijn verschillende manieren waarop natuurlijke selectie de eigenschappen in een populatie kan veranderen.

10.13 Dit is hoe we het doen: Waarom hebben zebra's strepen?
10.14 Natuurlijke selectie kan de evolutie van complexe eigenschappen en gedragingen veroorzaken.
Het bewijs voor evolutie is overweldigend.
10.15 Het fossielenbestand documenteert het proces van natuurlijke selectie.
10.16 Geografische patronen van soortenverdelingen weerspiegelen de evolutionaire geschiedenis van soorten.
10.17 Vergelijkende anatomie en embryologie onthullen een gemeenschappelijke evolutionaire oorsprong.
10.18 Moleculaire biologie onthult dat gemeenschappelijke genetische sequenties alle levensvormen met elkaar verbinden.
10.19 Experimenten en waarnemingen in de echte wereld onthullen een lopende evolutie.

Hoofdstuk 11 <reviewed CE ms>
Evolutie en gedrag
Communicatie, samenwerking en conflict in de dierenwereld

Gedrag kan, net als andere eigenschappen, evolueren.
11.1 Gedrag heeft adaptieve waarde, net als andere eigenschappen.
11.2 Sommige gedragingen zijn aangeboren.
11.3 Sommige gedragingen moeten worden aangeleerd (en sommige zijn gemakkelijker aan te leren dan andere).
11.4 Complex lijkend gedrag vereist geen complexe gedachten om te evolueren.
Samenwerking, egoïsme en altruïsme kunnen beter worden begrepen met een evolutionaire benadering.
11.5 “Vriendelijkheid” kan worden uitgelegd.
11.6 Schijnbaar altruïsme jegens familieleden kan evolueren door selectie van verwanten.
11.7 Schijnbaar altruïsme tegenover niet-verwante individuen kan evolueren door wederzijds altruïsme.
11.8 In een 'buitenaardse' omgeving zijn aanpassingen die door natuurlijke selectie zijn geproduceerd mogelijk niet langer adaptief.
11.9 Egoïstische genen winnen van groepsselectie.
Seksuele conflicten kunnen het gevolg zijn van ongelijke reproductieve investeringen door mannen en vrouwen.
11.10 Mannetjes en vrouwtjes investeren verschillend in voortplanting.
11.11 Mannetjes en vrouwtjes zijn kwetsbaar in verschillende stadia van de reproductieve uitwisseling.
11.12 Competitie en verkering kunnen mannen en vrouwen helpen om reproductief succes te behalen.
11.13 Het bewaken van de partner kan de reproductieve investering van een mannetje beschermen.
11.14 Dit is hoe we het doen: Als de vaderschapsonzekerheid groter lijkt, wordt de vaderlijke zorg dan verminderd?
11.15 Monogamie versus polygamie: het paargedrag varieert tussen menselijke en dierlijke culturen.
11.16 Seksueel dimorfisme is een indicator van het paargedrag van een populatie.
Communicatie en het ontwerp van signalen evolueren.
11.17 Diercommunicatie en taalvaardigheid evolueren.
11.18 Eerlijke signalen verminderen bedrog.

Hoofdstuk 12 <reviewed CE ms>
De oorsprong en diversificatie van het leven op aarde
Biodiversiteit begrijpen

Het leven op aarde is hoogstwaarschijnlijk ontstaan ​​uit niet-levende materialen.
12.1 Cellen en zelfreplicerende systemen zijn samen geëvolueerd om het eerste leven te creëren.
12.2 Dit is hoe we het doen: kan het leven zijn ontstaan ​​in ijs, in plaats van in een "warme kleine vijver"?
Soorten zijn de basiseenheden van biodiversiteit.
12.3 Wat is een soort?
12.4 Soorten zijn niet altijd gemakkelijk te definiëren.
12.5 Hoe ontstaan ​​nieuwe soorten?
Evolutionaire bomen helpen ons biodiversiteit te conceptualiseren en te categoriseren.
12.6 De geschiedenis van het leven kan worden voorgesteld als een boom.
12.7 Evolutionaire bomen tonen relaties tussen voorouders en nakomelingen.
12.8 Vergelijkbare structuren onthullen niet altijd een gemeenschappelijke voorouders.
Macro-evolutie zorgt voor grote diversiteit.
12.9 Macro-evolutie is evolutie boven het soortniveau.
12.10 Adaptieve stralingen zijn tijden van extreme diversificatie.
12.11 Er zijn verschillende massale uitstervingen op aarde geweest.
Een overzicht van de diversiteit van het leven op aarde: organismen zijn onderverdeeld in drie domeinen.
12.12 Alle levende organismen worden ingedeeld in een van de drie groepen.
12.13 Het bacteriedomein heeft een enorme biologische diversiteit.
12.14 Het archaea-domein omvat veel soorten die in extreme omgevingen leven.
12.15 Het eukarya-domein bestaat uit vier koninkrijken: planten, dieren, schimmels en protisten.

Hoofdstuk 13 <laatste ms vrijgegeven met bewerkingen die nog moeten worden goedgekeurd door Jay in CE-fase>
Dierdiversificatie
Zichtbaarheid in beweging
Dieren zijn slechts één tak van het eukarya-domein.
13.1 Wat is een dier?
13.2 Er zijn geen “hogere” of “lagere” soorten.
13.3 Vier belangrijke onderscheidingen verdelen de dieren. Ongewervelde dieren - dieren zonder ruggengraat - vormen de meest diverse groep dieren.
13.4 Sponzen zijn dieren die weefsels en organen missen.
13.5 Kwallen en andere neteldieren behoren tot de meest giftige dieren ter wereld.
13.6 Platwormen, rondwormen en gesegmenteerde wormen zijn er in alle soorten en maten.
13.7 De meeste weekdieren leven in schelpen.
13.8 Geleedpotigen zijn de meest diverse groep dieren.
13.9 Zo doen we het: Hoeveel soorten zijn er op aarde?
13.10 Vlucht en metamorfose produceerden de grootste adaptieve straling ooit.
13.11 Stekelhuidigen zijn de nauwste verwanten van ongewervelde gewervelde dieren.
De stam Chordata omvat gewervelde dieren - dieren met een ruggengraat.
13.12 Alle gewervelde dieren zijn lid van de phylum Chordata.
13.13 De verplaatsing naar het land vereiste verschillende aanpassingen. Alle gewervelde landdieren zijn tetrapoden.
13.14 Amfibieën leiden een dubbelleven.
13.15 Vogels zijn reptielen waarin veren zijn ontstaan.
13.16 Zoogdieren zijn dieren die haar hebben en melk produceren.
Mensen en onze naaste verwanten zijn primaten.
13.17 We stammen af ​​van boomprimaten, maar onze menselijke voorouders verlieten de bomen.

13.18 Hoe zijn we hier gekomen? De afgelopen 200.000 jaar menselijke evolutie.

Hoofdstuk 14 <laatste ms vrijgegeven met bewerkingen die nog moeten worden goedgekeurd door Jay in CE-fase>
Diversificatie van planten en schimmels
Waar komen alle planten en schimmels vandaan?

Planten staan ​​voor meerdere uitdagingen.
14.1 Wat is een plant?
14.2 Het koloniseren van land bracht nieuwe kansen en nieuwe uitdagingen.
14.3 Niet-vasculaire planten hebben geen vaten voor het transport van voedingsstoffen en water.
14.4 De evolutie van vaatweefsel maakte grote planten mogelijk.
De evolutie van het zaad opende nieuwe werelden voor planten.
14.5 Wat is een zaadje?
14.6 Met de evolutie van het zaad werden gymnospermen de dominante planten.
14.7 Coniferen zijn de hoogste en langstlevende bomen.
Bloeiende planten zijn de meest diverse planten.
14.8 Angiospermen zijn tegenwoordig de dominante planten.
14.9 Een bloem is niets zonder bestuiver.
14.10 Angiospermen verbeteren zaden met dubbele bemesting.
Planten en dieren hebben een haat-liefdeverhouding.
14.11 Bloeiende planten gebruiken vruchten om dieren te verleiden hun zaden te verspreiden.
14.12 Planten kunnen niet ontsnappen en moeten op andere manieren weerstand bieden aan predatie.
Schimmels en planten zijn partners, maar geen naaste verwanten.
14.13 Schimmels zijn nauwer verwant aan dieren dan aan planten.
14.14 Schimmels hebben een aantal structuren gemeen, maar zijn ongelooflijk divers.
14.15 De meeste planten hebben schimmelsymbionten.
14.16 Zo doen we het: Kunnen nuttige schimmels onze chocolade redden?

Hoofdstuk 15 <laatste ms vrijgegeven met bewerkingen die nog moeten worden goedgekeurd door Jay in CE-fase>
Microbe diversificatie
Bacteriën, archaea, protisten en virussen: de onzichtbare wereld

Er zijn microben in alle drie de domeinen.
15.1 Niet alle microben zijn evolutionair nauw verwant.
15.2 Microben zijn de eenvoudigste maar meest succesvolle organismen op aarde.
Bacteriën zijn misschien wel de meest diverse van alle organismen.
15.3 Wat zijn bacteriën?
15.4 Metabolische diversiteit onder de bacteriën is extreem.
Bacteriën kunnen de menselijke gezondheid schaden of helpen.
15.5 Veel bacteriën zijn gunstig voor de mens.
15.6 Dit is hoe we het doen: gedijen bacteriën op onze bureaus?
15.7 Slechts een klein percentage van de microbiële soorten veroorzaakt ziekten, maar ze doden miljoenen mensen.
15.8 De resistentie van bacteriën tegen medicijnen kan snel evolueren.
Archaea definiëren een prokaryotisch domein dat verschilt van bacteriën.
15.9 Archaea verschillen grondig van bacteriën.
15.10 Archaea gedijen in habitats die te extreem zijn voor de meeste andere organismen.
De meeste protisten zijn eencellige eukaryoten.
15.11 De eerste eukaryoten waren protisten.
15.12 Er zijn dierachtige protisten, schimmelachtige protisten en plantachtige protisten.
15.13 Sommige protisten zijn zeer schadelijk voor de menselijke gezondheid.
Op de grens tussen levend en niet-levend passen virussen in geen enkel domein.
15.14 Virussen zijn niet bepaald levende organismen.
15.15 Virussen infecteren een breed scala aan organismen en zijn verantwoordelijk voor veel ziekten.
15.16 Hiv illustreert de moeilijkheid om infectieuze virussen te beheersen.

Hoofdstuk 16 <laatste ms vrijgegeven>
Populatie-ecologie
Planeet op capaciteit: patronen van bevolkingsgroei

Populatie-ecologie is de studie van hoe populaties omgaan met hun omgeving.
16.1 Wat is ecologie?
16.2 Populaties kunnen een tijdje snel groeien, maar niet voor altijd.
16.3 De groei van een bevolking wordt beperkt door haar omgeving.
16.4 Sommige populaties wisselen tussen groot en klein.
16.5 Maximale duurzame opbrengst is nuttig, maar bijna niet uitvoerbaar.
Een levensgeschiedenis is als een soortoverzicht.
16.6 Levensgeschiedenissen worden gevormd door natuurlijke selectie.
16.7 Er zijn compromissen tussen groei, reproductie en levensduur.
16.8 Dit is hoe we het doen: Snelle groei heeft een prijs.
16.9 Populaties kunnen worden weergegeven in overlevingstafels en overlevingscurven.
Ecologie beïnvloedt de evolutie van veroudering in een bevolking.
16.10 Dingen vallen uit elkaar: wat is veroudering en waarom treedt het op?
16.11 Wat bepaalt de gemiddelde levensduur bij verschillende soorten?
16.12 Kunnen we het verouderingsproces vertragen?
De menselijke populatie groeit snel.
16.13 Leeftijdspiramides onthullen veel over een populatie.
16.14 Demografische transities vinden vaak plaats naarmate minder ontwikkelde landen meer ontwikkeld worden.
16.15 Menselijke bevolkingsgroei: hoe hoog kan die gaan?

Hoofdstuk 17 <laatste ms vrijgegeven met bewerkingen die nog moeten worden goedgekeurd door Jay in CE-fase>
Ecosystemen en gemeenschappen
Organismen en hun omgevingen

Ecosystemen hebben levende en niet-levende componenten.
17.1 Wat zijn ecosystemen?
17.2 Biomen zijn 's werelds grootste ecosystemen, elk bepaald door temperatuur en regenval.
Op elkaar inwerkende fysieke krachten creëren klimaat- en weerpatronen.
17.3 Wereldwijde luchtcirculatiepatronen creëren woestijnen en regenwouden.
17.4 Lokale topografie beïnvloedt het klimaat en het weer.
17.5 Zeestromingen beïnvloeden het klimaat en het weer.
Energie en chemicaliën stromen binnen ecosystemen.
17.6 Energiestromen van producenten naar consumenten.
17.7 Energiepiramides onthullen de inefficiëntie van voedselketens.
17.8 Essentiële chemicaliën doorlopen ecosystemen.
Interacties tussen soorten beïnvloeden de structuur van gemeenschappen.
17.9 De rol van een soort in een gemeenschap wordt gedefinieerd als zijn niche.
17.10 Interactieve soorten evolueren samen.
17.11 Concurrentie kan moeilijk te zien zijn, maar het beïnvloedt de gemeenschapsstructuur.
17.12 Predatie zorgt voor aanpassing bij zowel roofdieren als hun prooi.
17.13 Parasitisme is een vorm van predatie.
17.14 Niet alle interacties tussen soorten zijn negatief.
17.15 Dit is hoe we het doen: onderzoek naar mieren, planten en de onbedoelde gevolgen van ingrepen in het milieu.
Gemeenschappen kunnen in de loop van de tijd veranderen of stabiel blijven.
17.16 Primaire successie en secundaire successie beschrijven hoe gemeenschappen in de loop van de tijd kunnen veranderen.
17.17 Sommige soorten hebben meer invloed dan andere binnen een gemeenschap.
Hoofdstuk 18
Behoud en biodiversiteit
Menselijke invloeden op het milieu

Biodiversiteit is in veel opzichten waardevol.
18.1 Biodiversiteit heeft intrinsieke en extrinsieke waarde.
18.2 Dit is hoe we het doen: Als 200.000 ton methaan verdwijnt, hoe vind je het dan?
18.3 Biodiversiteit komt voor op meerdere niveaus.
18.4 Waar komt de grootste biodiversiteit voor?
Uitsterven vermindert de biodiversiteit.
18.5 Er zijn meerdere oorzaken van uitsterven.
18.6 We zitten midden in een massale uitsterving.
Menselijke activiteiten kunnen schade toebrengen aan het milieu.
18.7 De effecten van sommige verstoringen van het ecosysteem zijn omkeerbaar en andere niet.
18.8 Menselijke activiteiten kunnen het milieu schaden: 1. Geïntroduceerd uitheems

18.9 Menselijke activiteiten kunnen het milieu schaden: 2. Zure regen.

18.10 Menselijke activiteiten kunnen schade toebrengen aan het milieu: 3. Broeikasgasuitstoot.

18.11 Menselijke activiteiten kunnen het milieu schaden: 4. Tropische ontbossing.
We kunnen strategieën ontwikkelen voor effectieve conservering.
18.12 Omkering van de aantasting van de ozonlaag is een succesverhaal.
18.13 We moeten prioriteit geven aan welke soorten behouden moeten blijven.
18.14 Er zijn meerdere effectieve strategieën voor het behoud van biodiversiteit.

Hoofdstuk 19
Plantstructuur en transport van voedingsstoffen
Hoe planten functioneren en waarom we ze nodig hebben

Planten zijn een diverse groep organismen met meerdere wegen naar evolutionair succes.
19.1 Ouder, groter, groter: planten zijn enorm divers.
19.2 Monocotylen en eudicots zijn de twee belangrijkste groepen bloeiende planten.
19.3 Het plantenlichaam is georganiseerd in drie basisweefseltypes.
De meeste planten hebben gemeenschappelijke structurele kenmerken.
19.4 Wortels verankeren de plant en nemen water en mineralen op.
19.5 Stengels vormen de ruggengraat van de plant.
19.6 Bladeren voeden de plant.
19.7 Verschillende structuren helpen planten waterverlies te weerstaan.
Planten benutten zonlicht en halen bruikbare chemische elementen uit de omgeving.
19.8 Voor plantengroei zijn vier factoren nodig.
19.9 Voedingsstoffen gaan van de bodem naar organismen en weer terug.
19.10 Planten nemen met behulp van bacteriën essentiële stikstof op.
19.11 Dit is hoe we het doen: Vleesetende planten kunnen prooien consumeren en fotosynthese ondergaan.
Planten transporteren water, suiker en mineralen door vaatweefsel.
19.12 Planten nemen via hun wortels water en mineralen op.
19.13 Water en mineralen worden verdeeld via het xyleem.
19.14 Suiker en andere voedingsstoffen worden via het floëem verspreid.

Hoofdstuk 20 <finale vrijgegeven ms>
Groei, reproductie en omgevingsreacties in planten
Problemen oplossen met bloemen, hout en hormonen

Planten kunnen zich seksueel en ongeslachtelijk voortplanten.
20.1 De evolutie van planten heeft geleid tot twee reproductiemethoden.
20.2 Veel planten kunnen zich indien nodig ongeslachtelijk voortplanten.
20.3 Planten kunnen zich seksueel voortplanten, ook al kunnen ze niet bewegen.
20.4 De meeste planten kunnen zelfbevruchting vermijden.
Bestuiving, bemesting en zaadverspreiding zijn vaak afhankelijk van hulp van andere organismen.
20.5 Stuifmeelkorrels en embryozakjes bevatten de plantengameten.
20.6 Planten hebben hulp nodig om de mannelijke gameet naar de vrouwelijke gameet te krijgen voor bevruchting.
20.7 Dit is hoe we het doen: Maakt het uit hoeveel nectar een bloem produceert?
20.8 Bevruchting vindt plaats na bestuiving.
20.9 Eicellen ontwikkelen zich tot zaden en eierstokken tot vruchten.
Planten hebben twee soorten groei, die meestal een levenslange toename in lengte en dikte mogelijk maken.
20.10 Hoe ontkiemen en groeien zaden?
20.11 Planten groeien anders dan dieren.
20.12 Primaire plantengroei vindt plaats aan de apicale meristemen.
20.13 Secundaire groei levert hout op.
Hormonen reguleren de groei en ontwikkeling.
20.14 Hormonen helpen planten te reageren op hun omgeving.
20.15 Gibberellines en auxines stimuleren de groei.
20.16 Andere plantenhormonen reguleren de bloei, het rijpen van fruit en de reacties op stress.
Externe signalen leiden tot interne reacties.
20.17 Tropismen beïnvloeden de groeirichting van planten.
20.18 Planten hebben interne biologische klokken.
20.19 Met fotoperiodiciteit en kiemrust bereiden planten zich voor op de winter.
Hoofdstuk 21 <finale vrijgegeven ms>
Inleiding tot dierfysiologie
Principes van de organisatie en functie van dieren

Dierlijke lichaamsstructuren weerspiegelen hun functies.
21.1 Dierlijke orgaansystemen zijn opgebouwd uit vier weefseltypes met verschillende functies.
21.2 Bindweefsel biedt ondersteuning.
21.3 Epitheelweefsel bedekt en beschermt de meeste binnen- en buitenoppervlakken van het lichaam.
21.4 Spierweefsel maakt beweging mogelijk.
21.5 Zenuwweefsel geeft informatie door.
21.6 Elk orgaansysteem voert een gecoördineerde reeks gerelateerde lichaamsfuncties uit.
Dieren behouden een stabiele interne omgeving.
21.7 Dierlijke lichamen functioneren het beste binnen een beperkt aantal interne omstandigheden.
21.8 Dieren reguleren hun interne omgeving door homeostase.
Hoe werkt homeostase?
21.9 Negatieve en positieve feedbacksystemen beïnvloeden de homeostase.
21.10 Dieren gebruiken verschillende mechanismen om de lichaamstemperatuur te reguleren.
21.11 Dit is hoe we het doen: Waarom gapen we?
21.12 Dieren regelen hun waterhuishouding binnen een nauw bereik.
21.13 Bij de mens regelen de nieren de waterhuishouding.

Hoofdstuk 22
Circulatie en ademhaling
Brandstof, grondstoffen en gassen in, uit en rond het lichaam transporteren

De bloedsomloop is de belangrijkste distributieroute bij dieren.
22.1 Wat is een bloedsomloop en waarom is er een nodig?
22.2 Bloedsomloopsystemen kunnen open of gesloten zijn.
22.3 Gewervelde dieren hebben verschillende soorten gesloten bloedsomloopsystemen.
De menselijke bloedsomloop bestaat uit een hart, bloedvaten en bloed.
22.4 Bloed stroomt door de vier kamers van het menselijk hart.
22.5 Elektrische activiteit in het hart genereert de hartslag.
22.6 Bloed stroomt uit en terug naar het hart in bloedvaten.
22.7 Zo doen we het: Maakt denken je hoofd zwaarder?
22.8 Bloed is een mengsel van cellen en vocht.
22.9 Bloeddruk is een belangrijke maatstaf voor de gezondheid van het hart.
22.10 Hart- en vaatziekten zijn een belangrijke doodsoorzaak in de Verenigde Staten.
22.11 Het lymfestelsel speelt een ondersteunende rol bij de bloedsomloop.
Het ademhalingssysteem maakt gasuitwisseling bij dieren mogelijk.
22.12 Zuurstof en kooldioxide moeten in en uit de bloedsomloop komen.
22.13 Zuurstof wordt getransporteerd terwijl het gebonden is aan hemoglobine.
22.14 Gasuitwisseling vindt plaats in de kieuwen van gewervelde waterdieren.
22.15 Gasuitwisseling vindt plaats in de longen van gewervelde landdieren.
22.16 Spieren regelen de luchtstroom in en uit de longen.
22.17 Vogels hebben ongewoon efficiënte ademhalingssystemen.
22.18 Aanpassing of acclimatisatie aan zuurstofarme omstandigheden op grote hoogte verbetert de zuurstoftoevoer.

Hoofdstuk 23
Voeding en spijsvertering
In rust en in spel: optimaliseren van het menselijk fysiologisch functioneren

Voedsel levert de grondstoffen voor groei en de brandstof om het te laten gebeuren.
23.1 Waarom hebben organismen voedsel nodig?
23.2 Dieren hebben verschillende diëten.
23.3 Calorieën tellen: organismen hebben voldoende energie nodig.
Voedingsstoffen zijn onderverdeeld in zes categorieën.
23.4 Water is een essentiële voedingsstof.
23.5 Eiwitten in voedsel worden afgebroken om eiwitten in het lichaam op te bouwen.
23.6 Koolhydraten en vetten voorzien het lichaam van energie en meer.
23.7 Vitaminen en mineralen zijn nodig voor een goede gezondheid.
We halen energie en voedingsstoffen uit voedsel.
23.8 We zetten voedsel in vier stappen om in voedingsstoffen.
23.9 Inslikken is de eerste stap in de afbraak van voedsel.
23.10 Spijsvertering ontmantelt voedsel in bruikbare delen.
23.11 Absorptie verplaatst voedingsstoffen van je darm naar je cellen.
23.12 Eliminatie verwijdert onbruikbare stoffen uit je lichaam.
23.13 Sommige dieren hebben alternatieve middelen om hun voedsel te verwerken.
Wat we eten heeft een grote invloed op onze gezondheid.
23.14 Wat is een gezonde voeding?
23.15 Dit is hoe we het doen: hangt het menselijk oordeel af van de bloedsuikerspiegel?
23.16 Obesitas kan het gevolg zijn van te veel van het goede.
23.17 Afslankdiëten zijn een verliesgevend voorstel.
23.18 Diabetes wordt veroorzaakt door het onvermogen van het lichaam om de bloedsuikerspiegel effectief te reguleren.

Hoofdstuk 24
Zenuwstelsel en motoriek
Acties, reacties, sensaties en verslavingen: maak kennis met je zenuwstelsel
Wat is het zenuwstelsel?
24.1 Waarom hebben we een zenuwstelsel nodig?
24.2 Neuronen zijn de bouwstenen van alle zenuwstelsels.
24.3 Het zenuwstelsel van gewervelde dieren bestaat uit het perifere en centrale zenuwstelsel.
Hoe werken neuronen?
24.4 Dendrieten ontvangen externe prikkels.
24.5 De ​​actiepotentiaal plant een signaal door het axon.
24.6 Bij de synaps interageert een neuron met een andere cel.
24.7 Er zijn veel soorten neurotransmitters.
Onze zintuigen detecteren en geven prikkels door.
24.8 Sensorische receptoren zijn onze vensters op de wereld om ons heen.
24.9 Smaak: een actiepotentiaal levert een smaaksensatie aan de hersenen.
24.10 Geur: receptoren in de neus detecteren chemicaliën in de lucht.
24.11 Visie: zien is de waarneming van licht door de hersenen.
24.12 Horen: geluidsgolven worden opgevangen door de oren en stimuleren auditieve neuronen.
24.13 Aanraking: de hersenen nemen druk, temperatuur en pijn waar.
Het spier- en skeletstelsel maakt beweging mogelijk.
24.14 Spieren genereren kracht door samentrekking.
24.15 Het skelet functioneert in ondersteuning, beweging en bescherming.
De hersenen zijn georganiseerd in verschillende structuren die zijn toegewijd aan specifieke functies.
24.16 De hersenen hebben verschillende afzonderlijke regio's.
24.17 Specifieke hersengebieden zijn betrokken bij de processen van leren, taal en geheugen.
24.18 Dit is hoe we het doen: kan intensieve cognitieve training hersengroei veroorzaken?
Drugs kunnen genotsroutes kapen.
24.19 Ons zenuwstelsel kan worden misleid door chemicaliën.
24.20 Een brein vertraagt ​​als het slaap nodig heeft. Cafeïne maakt het wakker.
24.21 Alcohol interfereert met veel verschillende neurotransmitters.

Hoofdstuk 25
Hormonen
Stemming, emoties, groei en meer: ​​hormonen als hoofdregulatoren
Hormonen zijn chemische boodschappers die celfuncties reguleren.
25.1 De "knuffel"-stof: oxytocine verhoogt het vertrouwen en verbetert de paarbinding.
25.2 Hormonen reizen door de bloedsomloop om cellen elders in het lichaam te beïnvloeden.
25.3 Hormonen kunnen doelweefsels op verschillende manieren reguleren.
Hormonen worden geproduceerd in klieren door het hele lichaam.
25.4 De hypothalamus regelt de secreties van de hypofyse.
25.5 Andere endocriene klieren produceren en scheiden ook hormonen uit.
Hormonen beïnvloeden bijna elk facet van een organisme.
25.6 Hormonen kunnen het lichaam en fysieke prestaties beïnvloeden.
25.7 Hormonen kunnen de stemming beïnvloeden.
25.8 Hormonen kunnen gedrag beïnvloeden.
25.9 Hormonen kunnen de cognitieve prestaties beïnvloeden.
25.10 Hormonen kunnen de gezondheid en levensduur beïnvloeden.
Milieuverontreinigende stoffen kunnen de normale hormoonwerking verstoren.
25.11 Chemicaliën in het milieu kunnen hormonen nabootsen of blokkeren, met desastreuze gevolgen.
25.12 Zo doen we het: Wil je je kassabon? (Misschien niet.)
Hoofdstuk 26
Voortplanting en ontwikkeling
Van twee ouders naar één embryo naar één baby
Hoe planten dieren zich voort?
26.1 Reproductieve opties (en ethische kwesties) nemen toe.
26.2 Er zijn kosten en baten aan het hebben van een partner: seksuele versus ongeslachtelijke voortplanting.
26.3 Bevruchting kan binnen of buiten het lichaam van een vrouw plaatsvinden.
Mannelijke en vrouwelijke voortplantingssystemen hebben belangrijke overeenkomsten en verschillen.
26.4 Sperma wordt gemaakt in de testikels.
26.5 Er is een ongezien conflict tussen zaadcellen.
26.6 Dit is hoe we het doen: Kunnen mannen de sperma-investering verhogen als reactie op de aanwezigheid van een andere man?
26,7 Eieren worden gemaakt in de eierstokken (en het proces kan tientallen jaren duren).
26.8 Hormonen sturen het proces van de eisprong en de voorbereiding op de zwangerschap.
Seks kan leiden tot bevruchting, maar het kan ook seksueel overdraagbare aandoeningen verspreiden.
26.9 Bij bevruchting worden twee cellen één.
26.10 Talrijke strategieën kunnen bevruchting helpen voorkomen.
26.11 Seksueel overdraagbare aandoeningen onthullen gevechten tussen microben en mensen.
Menselijke ontwikkeling vindt plaats in specifieke stadia.
26.12 Vroege embryonale ontwikkeling vindt plaats tijdens splitsing, gastrulatie en neurulatie.
26.13 Er zijn drie stadia van zwangerschap.
26.14 Zwangerschap culmineert in de bevalling en het begin van de lactatie.
Reproductieve technologie heeft voordelen en gevaren.
26.15 Geassisteerde voortplantingstechnologieën zijn veelbelovend en gevaarlijk.

Hoofdstuk 27
Immuniteit en gezondheid
Hoe het lichaam zichzelf verdedigt en in stand houdt
Je lichaam heeft verschillende manieren om je te beschermen tegen ziekteverwekkende indringers.
27.1 Drie verdedigingslinies voorkomen en bestrijden ziekteverwekkers.
27.2 Externe barrières voorkomen dat ziekteverwekkers uw lichaam binnendringen.
27.3 De niet-specifieke verdeling van het immuunsysteem herkent en bestrijdt ziekteverwekkers en signalen voor extra afweer.
27.4 Het aspecifieke systeem reageert op infectie met de ontstekingsreactie en met koorts.
Specifieke immuniteit ontwikkelt zich na blootstelling aan pathogenen.
27.5 De ​​specifieke indeling van het immuunsysteem vormt een geheugen voor specifieke ziekteverwekkers.
27.6 De structuur van antilichamen weerspiegelt hun functie.
27.7 Lymfocyten bestrijden ziekteverwekkers op twee fronten.
27.8 Klonale selectie helpt bij het bestrijden van infecties nu en later.
27.9 Dit is hoe we het doen: Maakt contact met honden kinderen gezonder?
27.10 Cytotoxische T-cellen en helper-T-cellen hebben verschillende functies.
Een storing van het immuunsysteem veroorzaakt ziekte.
27.11 Auto-immuunziekten treden op wanneer het lichaam zich tegen zijn eigen weefsels keert.
27.12 AIDS is een immuundeficiëntieziekte.
27.13 Allergieën zijn een ongepaste immuunrespons op een onschadelijke stof.

Kijk erin

4 Ontologische formalismen, talen en formaten

Er zijn drie eerste overwegingen waarmee rekening moet worden gehouden voordat de constructie van een ontologie kan beginnen: formalisme, of logisch raamwerk beschikbaar voor softwaresystemen de kennisrepresentatie taal, wat een voor mensen leesbare interpretatie is van een formalisme en ten slotte de syntaxis gebruikt voor het opslaan van de ontologie, of het formaat ervan. Ontologietalen kunnen meerdere formele interpretaties of formalismen hebben. Er moet echter een nauw verband zijn tussen een taal en zijn formalisme, aangezien een voor mensen leesbare definitie in een taal nauwkeurig moet worden weergegeven in zijn formele definitie (Opmerking: http://sourceforge.net/mailarchive/forum.php?thread_name=F3AB4896-CE9A-44FD-9623-CFF0A30F8F8F%40gmail.com&forum_name=obi-devel). De keuzes van de ontologische taal, en zelfs van het formaat, zijn onafhankelijk van de keuze van het expressiviteitsniveau en dus van de keuze van het formalisme. Ontologietalen en formalismen zijn abstracte concepten en hebben als zodanig formaten nodig om de ontologie zelf te creëren, te delen en te analyseren. Een enkele ontologietaal kan ook in meer dan één formaat worden geïmplementeerd.

De twee meest gebruikte ontologietalen in de life sciences-gemeenschap zijn: UIL [14] en OBO [22] , en deze sectie beschrijft de talen zelf evenals hun formalismen en formaten.

Beschrijving Logica

DLs zijn formalismen voor kennisrepresentatie die worden gekenmerkt door verschillende niveaus van expressiviteit. Op kennis gebaseerde systemen gecreëerd door het gebruik van DLs zijn in staat om impliciete consequenties te vinden van expliciet weergegeven kennis [23, pg.2] . historisch, DLs zijn in veel domeinen gebruikt: software-engineering, configuratie, geneeskunde, digitale bibliotheken, webgebaseerde informatiesystemen (bijv. het semantische web), datamining, natuurlijke taalverwerking en data-integratie [23, pag. 23-29]. Hoe expressiever a DL is, hoe minder handelbaar het is voor redeneringen [23, pg9] . Daarom moet een taal worden gekozen die een geschikte verhouding tussen expressiviteit en handelbaarheid heeft. DLs worden veel gebruikt in de biomedische gemeenschap via de UIL taal, waar? OWL-DL is een van een aantal UIL 2 profielen [24] . De DL formalismen toegankelijk via UIL hebben de mogelijkheid om complexe logische constructies en beperkingen weer te geven, zoals aantalbeperkingen en eigenschapshiërarchieën [23, pg8] . Editors zoals Protégé (Opmerking: http://protege.stanford.edu) en bibliotheken zoals de OWL API [25] kunnen bepalen in welk profiel een bepaalde ontologie is geschreven.

De OWL-taal

Semantische webtechnologieën zoals: RDF en UIL zijn omarmd als een verenigd raamwerk voor het integreren en ophalen van life science-gegevens [26, 27, 28] en zijn kerncomponenten van het semantische web. UIL verbetert op RDF door de mogelijkheid te bieden om objecten expliciet te beschrijven en er uitspraken over te doen [28]. Beperkingen op het lidmaatschap van een klas, zoals onsamenhangendheid (bijv ZwartLabrador kan ook niet een zijn Persoon) kan niet worden uitgedrukt in RDF [29] . Beslisbaarheid en complexiteit gaan hand in hand, hoe complexer de logica, hoe uitdagender de redenering [23, pg44]. Daarom is een verscheidenheid aan handelbare deelverzamelingen van UIL, profielen genoemd, zijn ontwikkeld. Elk profiel heeft optimalisaties voor bepaalde redeneertaken. OWL-EL is een profiel dat is geoptimaliseerd voor een groot aantal eigenschappen en klassen, terwijl OWL-QL voornamelijk is gericht op ontologieën met een groot aantal instanties, waarbij query's de belangrijkste zorg zijn [24]. Ten slotte is OWL-RL een profiel dat expressieve kracht combineert met schaalbare redeneertijden en dat geschikt is voor gebruik met regeltalen en op regels gebaseerd redeneren [24]. Echter, UIL profielen zijn bijvoorbeeld niet beperkt tot deze drie, OWL-DL en OWL-Lite zijn beide geldig UIL profielen.

OWL-formaten

UIL kan worden uitgedrukt in een aantal formaten, waaronder de Manchester OWL-syntaxis [30] en RDF/XML. De Manchester OWL-syntaxis is zeer begrijpelijk voor een mens, terwijl de triples van een RDF-gebaseerd formaat kan eenvoudig door standaard worden afgehandeld RDF bibliotheken die beschikbaar zijn voor veel programmeurs. De UIL RDF/XML-indeling wordt gemaakt door gelaagdheid UIL bovenop RDF, die vervolgens kan worden geserialiseerd in XML [26] . Biologische gegevens presenteren in RDF-gebaseerde formaten zorgen voor een eenduidige naamgeving van entiteiten via URI's, eenvoudige toevoeging van gegevens via grafiekstructuren, het gebruik van de open wereld-aanname en de toevoeging van nieuwe gegevens zonder bestaande gegevens ongeldig te maken of te wijzigen [26] .

OBO formalisme en taal

De OBO Foundry [22] , een consortium van ontologieontwikkelaars, geeft niet expliciet aan welk formalisme vereist is van zijn ontologieën. Echter, aangezien de Foundry het gebruik van hun ontologieën op het hoogste niveau aanbeveelt door al haar domein-ontologieën, geven deze ontologieën op het hoogste niveau richting aan de ontologieën van het Foundry-domein. BFO, een OBO ontologie op het hoogste niveau voor wetenschappelijk onderzoek, werd ontwikkeld met interpretaties in UIL, eerste-orde logica en de native OBO. De RO [31] , een ontologie op het hoogste niveau die zich bezighoudt met biologie-specifieke relaties op hoog niveau, is inheems in OBO maar ook automatisch geconverteerd naar UIL.

Hoewel ze vaak worden gebruikt in de levenswetenschappen, OBO taal is niet goed geschikt voor semantisch redeneren, gevolgtrekkingen en bevragen. Inderdaad, toen Golbriech en collega's een kaart maakten van OBO tot UIL, waardoor redeneren en strikte semantiek beschikbaar zijn voor OBO ontologieën werden modelleringsfouten ontdekt die voorheen onopgemerkt waren gebleven [32]. Terwijl DL talen zoals UIL ontwikkeld om ontologische concepten ondubbelzinnig te beschrijven, OBO bevat dubbelzinnige en informele beschrijvingen van zijn concepten, en als zodanig kan de redeneerder belangrijke gevolgtrekkingen missen [32] . In tegenstelling tot de formele benadering van UIL waarbij de eigenschappen instanties van klassen koppelen en daarom gekwantificeerd moeten worden, OBO is een op terminologie gebaseerde taal waarvan de eigenschappen klassen rechtstreeks met elkaar verbinden [33] . Als zodanig, binnen OBO existentiële kwalificaties zoals: sommige, precies of enkel en alleen zijn niet mogelijk [33] . Aanvullend, UIL heeft de mogelijkheid om complexere logische constructies weer te geven, zoals aantalbeperkingen en eigenschapshiërarchieën, en UIL redeneerders zijn krachtiger dan hun OBO tegenhangers [32] . Updates om mee te nemen OBO dichterbij UIL en zorgen voor een verliesvrije conversie van OBO tot UIL veel van deze beperkingen aanpakken [34] .

Het OBO-formaat

De OBO taal heeft momenteel slechts één formaat en daarom OBO kan zowel als een taal als een formaat worden beschouwd. Net als de Manchester OWL-syntaxis, OBO is zeer leesbaar voor mensen en bestaat uit strofen die entiteiten en hun locaties binnen de hiërarchie beschrijven. Figuur 2 toont a GAAN term en zijn strofe.

[Termijn]
ID: GO:001555
naam: oöcytgroei
is_a: GO:0016049 ! celgroei
relatie: part_of GO:0048601 ! oöcyt morfogenese
kruispunt_van: GO:0040007 ! groei
intersection_of: has_central_participant CL:0000023 ! eicel

De OBO Foundry heeft een reeks naamgevingsconventies en andere principes gecreëerd die, hoewel ze geen deel uitmaken van het formaat, belangrijke beperkingen zijn voor de manier waarop de ontologieën worden geconstrueerd (Opmerking: http://www.obofoundry.org/crit.shtml). Indien gebruikt door de OBO Foundry-ontologieën, Foundry-principes zoals naamgevingsconventies helpen zowel sociale samenwerking als de semantische afstemming van meerdere ontologieën [35].


1.5: Wat is wetenschap? - Biologie

Contemporary Biology Archive, lente 2001

W at is biologie goed voor?:
Goed voor 1: ons moleculaire zelf begrijpen: het project van het menselijk genoom
Goed voor 2: ons gezond houden tijdens het griepseizoen: griepvaccins
Goed voor 3: Een 'ja of nee' in slechts 3 minuten: thuiszwangerschapstests
Goed voor 4: het leven helpen beginnen: in-vitrofertilisatie
Goed voor 5: Diabetes beheersen: recombinante menselijke insuline
Goed voor 6: Kankercellen doden: medicijnen voor chemotherapie
Goed voor 7: Stimuleren van de productie van rode bloedcellen: Epogen
Goed voor 8: Bedreigde diersoorten redden: klonen
Goed voor 9: Behandeling van borstkanker: Herceptin
Goed voor 10: Biolplastics: plastic kweken uit planten
Goed voor 11: Problemen voor de geboorte detecteren: prenatale diagnose
Goed voor 12: behandeling van reumatoïde artritis door middel van biotechnologie: ENBREL
Goed voor 13: onkruid doden: RoundUp
Goed voor 14: Gewassen insectenvrij houden: Dipel
Goed voor 15: Stone-washing Jeans: Cellulases

Biologie in het nieuws
Al het nieuws besproken in de klas Spring Semester

Opwarming:
Opwarming 1: wetenschappelijke methode, evolutie
Opwarming 2: Cellen en organellen
Opwarming 3: Macromoleculen
Opwarming 4: DNA / Mutatie
Opwarming 5: Mitose / Chemotherapie
Opwarming 6: Meiose / Nondisjunctie
Opwarming 7: Menselijke embryonale stamcellen (hES)
Opwarming 8: Mendeliaanse genetica
Opwarming 9: Menselijke genetica
Opwarming 10 : Klonen/ GenEthiek
Opwarming 11: Drie levensdomeinen
Opwarming 12: studievaardigheden van studenten in N100
Opwarming 13: Fotosynthese / Ademhaling
Opwarming 14: Menselijke bevolkingsgroei / AgBiotech


Bekijk alle opwarmingen op één pagina
W arm Ups met S gekozen S tudentenantwoorden:
Opwarming 1: wetenschappelijke methode, evolutie
Opwarming 2: Cellen en organellen
Opwarming 3: Macromoleculen
Opwarming 4: DNA / Mutatie
Opwarming 5: Mitose / Chemotherapie
Opwarming 6: Meiose / Nondisjunctie
Opwarming 7: Menselijke embryonale stamcellen (hES)
Opwarming 8: Mendeliaanse genetica
Opwarming 9: Menselijke genetica
Opwarming 10 : Klonen/ GenEthiek
Opwarming 11: Drie levensdomeinen
Opwarming 12: studievaardigheden van studenten in N100
Opwarming 13: Fotosynthese / Ademhaling
Opwarming 14: Menselijke bevolkingsgroei / AgBiotech


Biotechnologie 540
Just-in-Time leermiddelen

Opwarming:
Opwarmen: inleiding tot biotechnologie

VRAAG 1: Humuline, een medicijn gemaakt door Eli Lilly, is het humane insuline-eiwit dat door bacteriën wordt gemaakt. Hoe kan een bacterie een menselijk eiwit maken?

VRAAG 2: Wat is het verschil tussen een genomische bibliotheek-cDNA-bibliotheek in termen van hun uitgangsmaterialen? Waarom zou een wetenschapper met een cDNA-bibliotheek willen werken in plaats van met een genomische bibliotheek? Wat is het resultaat van het screenen van een genomische bibliotheek en een cDNA-bibliotheek - dat wil zeggen: wat moet u in uw reageerbuis hebben nadat u klaar bent?

VRAAG 3: Leg in je eigen woorden uit hoe PCR een DNA-molecuul 1 miljard keer - of meer - kan versterken in slechts enkele uren! Hoeveel DNA-kopieën zouden er ontstaan ​​als u 25 PCR-cycli zou doen?

VRAAG 4: Vertel me in één zin elk (a) wat voor soort wetenschappelijke lessen je had als student (b) waarom je Biologie 540 nam in plaats van anderen die in hetzelfde algemene programma of tijdvak werden aangeboden, en (c) wat je denk na de eerste twee lessen aan Biologie 540.

Opwarming: farmaceutische industrie en sociale verantwoordelijkheid

VRAAG 1: Een van de controverses over Epogen betreft de financiering van medische zorg voor dit dure medicijn. Medicare wil sommige bloedarmoedepatiënten op een 'suboptimaal' hemacriet (RBC-niveau) houden om de hoeveelheid Epo die door Medicare wordt gesubsidieerd te verminderen. Deze patiënten zouden een beetje bloedarm, zwak en moe zijn, maar niet zo erg als wanneer ze geen Epo hadden gekregen! Gelieve commentaar te geven op deze kwestie vanuit het perspectief van (a) de patiënt (b) de arts die deze patiënten behandelt, (3) Amgen?

VRAAG 2: Vorig jaar gaven farmaceutische bedrijven meer dan $ 2,5 miljard uit (in een Amerikaanse farmaceutische markt van $ 122 miljard) aan direct-to-consumer (DTC)-reclame op tv en in tijdschriften. DTC werkt in het voordeel van de farmaceutische bedrijven, aangezien de recepten voor de top 50 meest geadverteerde geneesmiddelen met 24,6% stegen, vergeleken met 4,3% voor alle andere geneesmiddelen samen in 2000 (ref). De groep Pharma stelt echter dat Direct-to-Consumer Advertising ons gezondheidszorgsysteem versterkt. Kun je één voordeel en één nadeel bedenken van DTC-medicijnreclame voor (a) de consument (b) hun arts? Wat is Pharma, en denk je dat ze een betrouwbare, onbevooroordeelde bron van informatie over de farmaceutische industrie zijn??

VRAAG 3: De New York Times van vandaag (28 augustus 2003 nu gearchiveerd) meldt dat de Verenigde Staten "in de beschamende positie verkeren om de eenzame natie te zijn die zich verzet tegen een oplossing om vitale medicijnen betaalbaar te maken voor de armste mensen op aarde." Het artikel meldt echter dat president Bush binnenkort een overeenkomst kan accepteren die arme landen vrijstelt van bestaande internationale handelsregels, waardoor ze generieke geneesmiddelen kunnen kopen tegen sterk verminderde kosten. Waarom hadden de VS slechts een paar maanden geleden een veto uitgesproken over een dergelijke overeenkomst? Welke zorgen van de Amerikaanse farmaceutische industrie moeten worden weggenomen voordat president Bush deze overeenkomst accepteert? Denkt u dat de VS de plicht hebben om 'maatschappelijk verantwoord' te zijn en de wereldgezondheid te bevorderen ten koste van de commerciële belangen van farmaceutische bedrijven?

Opwarmen: klinische proeven en medicijnontwikkeling

VRAAG 1: Denkt u dat, aangezien het enorm veel tijd en geld kost om een ​​medicijn te ontwikkelen?

20 jaar octrooibescherming dekt de eigendomsrechten van een bedrijf eerlijk? Denkt u dat er aan een bedrijf stimulansen worden gegeven om geneesmiddelen te ontwikkelen die slechts een zeer kleine markt hebben - misschien alleen van invloed op?

VRAAG 2: Voordat Herceptin in 1998 werd goedgekeurd voor gebruik door de FDA, werden borstkankerpatiënten geselecteerd om via een 'loterij' Herceptin te krijgen. Het gebruik van Herceptin werd toegestaan ​​door 'medelevende toegang' tot dit medicijn toe te staan.Leg uit wat u denkt dat deze term betekent en waarom u denkt dat Genentech slechts 25 vrouwen per keer toestond om Hercptin te krijgen.

VRAAG 3: Een artikel in de New York Times (2/2002 nu gearchiveerd) meldde onlangs dat bijna 9 van de 10 artsen die betrokken zijn bij protocollen voor klinische proeven financiële banden hadden met de farmaceutische industrie (zoals onderzoeksfinanciering, reis- of advieskosten of persoonlijke aandelen investering). Ongeveer 6 van de 10 hadden financiële banden met bedrijven waarvan de medicijnen werden overwogen of aanbevolen in de richtlijnen voor klinische proeven die ze schreven. Bent u van mening dat een van de bovenstaande situaties een belangenconflict vormt? Vindt u dat artsen aandelen moeten aanhouden in de bedrijven waarvoor zij klinische proeven veroordelen? Wat zou u aanbevelen om mogelijke belangenverstrengeling te verhelpen?

VRAAG 4: (Optioneel) : Heeft u ooit deelgenomen aan een klinische proef, hetzij als gezonde vrijwilliger of als patiënt? (Ik zal geen namen of bijnamen gebruiken in antwoorden, en zal je antwoord niet in de klas gebruiken als je het me hier laat weten!)

Opwarmen: medicijnafgifte, patenten

VRAAG 1: Het doel van de meeste middelen voor medicijnafgifte is om medicijnen in de bloedbaan te krijgen. De meest directe manier om dit te doen is via injectie rechtstreeks in het bloed. Waarom denk je dan dat veel medicijnen oraal worden ingenomen, of worden ontwikkeld voor inhalatie of nasale therapie?

VRAAG 2: Om een ​​octrooi te krijgen, moet een uitvinding nieuw (nieuw), niet voor de hand liggend zijn en nut hebben (nuttig zijn). Hoe kunnen, gezien deze criteria, EST's en gensequenties worden gepatenteerd?

VRAAG 3: Wat is de functie van een afdeling Tech Transfer op een universiteit? Is dit soort departement complementair aan of in strijd met de geest van goodwill, vrije uitwisseling van informatie en samenwerking die we in de wetenschap zo hoog waarderen?

VRAAG 1: Als de wereldproductie van voedsel zo was dat er meer dan genoeg voedsel was voor alle mensen op onze planeet, waarom zouden dan nog steeds elke dag 40.000 - 100.000 mensen de hongerdood sterven? Denk alsjeblieft na over deze vraag voordat je antwoordt, en voor meer info (optioneel) zie Mythe of Oxfam International

VRAAG 2: Gouden Rijst belooft elk jaar miljoenen sterfgevallen door vitamine A-tekort (VAD) te voorkomen. Kun je enkele redenen bedenken waarom deze geweldige oogst misschien NIET zoveel levens kan redden als het zou kunnen? Denk eerst na over het antwoord, maar als u meer informatie wilt, raadpleeg dan Gouden Rijst en Vitamine A. Tekort. ps. Dit artikel is erg negatief (sorry), maar het brengt wel een aantal goede punten naar voren. Welke organisatie heeft dit artikel geplaatst en denkt u dat zij een onbevooroordeelde bron van informatie over Gouden Rijst zijn?

VRAAG 3: Wat is, na het lezen van de toelichting bij deel 3 deze week, een toevluchtsoord in relatie tot Bt en de ECB? Hoe werkt het concept van een toevluchtsoord, en waarom denkt de EPA dat toevluchtsoorden nodig zijn?

VRAAG 4: Als u genetisch gemodificeerd (GM) voedsel zou eten, zou u dat dan weten door het lezen van een voedseletiket? Of denk je dat je op dit moment al genetisch gemodificeerd voedsel eet? Antwoord eerst, maar als je wilt, ga dan naar The True Foods-boodschappenlijst

Opwarmen: investeren in biotechnologie

VRAAG 1: Wat is de regel van 72? Als je $ 10.000 een gat in je zak had laten branden en zou willen dat het in 5 jaar zou verdubbelen (tot $ 20.000), welk rendement zou je dan nodig hebben? Welke soorten investeringsopties leveren gemiddeld dat rendement op? Hoe lang zou het duren om uw $ 10.000 (naar $ 20.000) in een stroom te verdubbelen?

1,5% rente spaarrekening?

VRAAG 2: Het doel van de meeste middelen voor medicijnafgifte is om medicijnen in het plasma / de bloedbaan te krijgen. De meest directe manier om dit te doen is via directe injectie in het bloed. Wat zijn volgens u twee nadelen van deze manier van medicijntoediening? Pulmonale toediening (inademing in de longen) wordt beschouwd als een effectieve route naar de bloedbaan (waarom?) - maar wat zijn volgens u twee nadelen van deze route van medicijnafgifte?

VRAAG 3: Alza is een bedrijf voor de levering van geneesmiddelen in Palo Alto, CA. Bezoek hun Technology-link en bekijk hun 'way cool' Drug Delivery-opties. Kies drie van deze technologieën en bespreek een type medicijn dat met deze nieuwe technologieën kan worden geleverd. (Bijvoorbeeld: traditionele injectiespuit - een type medicijn kan een recombinant eiwit zijn zoals insuline, dat niet oraal kan worden ingenomen.)

VRAAG 4: (Optioneel): Heeft iets dat in de notities over 'beleggen' van dinsdag is besproken, u doen nadenken over het veranderen van uw uitgaven-, spaar- of investeringsgewoonten?

VRAAG 4: Wat zijn de Bermuda-principes? Waarom denk je dat de wetenschappers van het Human Genome Project de Bermuda-principes zo sterk ondersteunen? Denkt u dat het continu vrijgeven van nieuwe genetische informatie aan het grote publiek een goede zaak is voor de biotechnologie? Waarom of waarom niet?

VRAAG 4: Wat zijn volgens u de twee belangrijkste voordelen van Whole Genome Shotgun Sequencing? Wat zijn twee nadelen?

VRAAG 4: Wat zijn EST's en hoe zijn ze nuttig geweest in het Human Genome Project? Waarom denk je dat HGP-wetenschappers aanvankelijk kritisch waren over de technologie?

VRAAG 4: (Optioneel): Je hebt waarschijnlijk wel eens gehoord van DNA dat wordt beschreven als de 'blauwdruk' voor het maken van een mens (of welk organisme dan ook). Aangezien minder dan 3% van ons genoom uit eiwitcoderende genen bestaat en ongeveer 50% van ons genoom bestaat uit repetitieve sequenties, waarvan vele van virale oorsprong, kun je een andere term dan 'blauwdruk' bedenken om ons huidige begrip van de genoom? (Geen 'juist' antwoord hier, alleen op zoek naar uw ideeën).

Opwarmen: het genoom ontginnen

VRAAG 1: Waarom denk je dat een onderzoekswetenschapper in een universitair laboratorium bereid zou zijn om DoubleTwist veel geld te betalen (niet zoveel als Celera zou vragen, maar nog steeds veel geld!) voor toegang tot de menselijke genoomsequentie, terwijl de sequentie vrij is beschikbaar op BLAST, ENTREZ en ENSEMBL?

VRAAG 2: Wat zijn SNP's en waarom zijn farmaceutische bedrijven geïnteresseerd in het bestuderen ervan?

VRAAG 3: Wat is een DNA-chip? Geef een voorbeeld van een manier waarop een DNA-chip kan worden gebruikt om genexpressie te bestuderen. Wat is fotolithografie?

VRAAG 1: Wat is de G5 en uit welke organisaties bestaat de G5?

VRAAG 2: Bedrijven als Celera verdienen hun geld door informatie (over het menselijk genoom) te verkopen. Kun je andere bedrijven bedenken die alleen bestaan ​​om informatie te verkopen? Geef een voorbeeld.

VRAAG 3: Als het genoom al het DNA van een organisme is, wat is dan een proteoom? Zou er ooit een Human Proteome Project kunnen zijn?

VRAAG 4: (Optioneel, maar ik zou een antwoord zeer op prijs stellen!) a) Heeft iets wat we dinsdag in de klas hebben besproken ervoor gezorgd dat u uw uitgaven-, spaar- of investeringsgewoonten zou veranderen?

Opwarmen: menselijke embryonale stamcellen (hES)

VRAAG 1: Waar komen menselijke embryonale stamcellen (hES-cellen) precies vandaan (in uw eigen woorden)? Wat zijn enkele van de ethische implicaties van het gebruik van hES-cellen voor medisch onderzoek? Waar komen hPG-cellen precies vandaan, en waarom denk je dat ze niet zoveel worden besproken als hES-cellen?

VRAAG 2: Dolly was een kloon van een 6-jarig schaap, maar op celniveau was ze geen exacte replica van haar 'nucleaire donor'-tweeling. Waarom? Waarom is Cc geen exacte replica van Rainbow, haar genetische donor-tweeling? Waarom is Prometia echt een genetische tweelingbroer van het paard waarvan ze is gekloond?

VRAAG 3: Is er een fout in de gedachte dat als we ooit in staat zouden zijn om Albert Einstein, een briljante fysicus, te klonen, we een andere briljante fysicus zouden krijgen?

VRAAG 4: (Volledig optioneel) Er zijn enorme voordelen aan het ontwikkelen van hES-cellen voor de behandeling van diabetes, de ziekte van Alzheimer. enz. rechtvaardigen deze voordelen volgens u het gebruik ervan in medisch onderzoek, aangezien een menselijke blastocyst moet worden gebruikt om de cellen te verkrijgen?? Onthoud dat alleen overtollige embryo's kunnen worden gebruikt om hES-cellen te verkrijgen. Embryo's KUNNEN NIET worden gemaakt voor de afleiding van hES-cellen. (Uw antwoorden worden vertrouwelijk behandeld!)

VRAAG 1: Wat is in uw eigen woorden een goed 'modelorganisme'? Hoewel primaten -achtige chimpansees - op genoomniveau zeer nauw verwant zijn aan de mens, worden ze niet als modelorganisme gebruikt. Kun je een aantal redenen noemen waarom we primaten niet als modelorganismen gebruiken in functionele en vergelijkende genomica?

VRAAG 2: Wat is Tüumlbingen 2000 en waarom was het een belangrijke mijlpaal in de studie van functionele genomica?

VRAAG 3: Wat is een Morfolino en wat wordt bedoeld met de term "knockdown"? Hoe denk je dat dit verschilt van het concept van het maken van een "knock-out" organismen?

VRAAG 1: In uw EIGEN woorden, hoe zijn de 3 basisbenaderingen van gentherapie vergelijkbaar en verschillend? Wat is zelfmoordgentherapie en waarom zou deze benadering gunstig zijn voor een patiënt?

VRAAG 2: Waarom lijken virussen de 'perfecte' kandidaten voor genafgiftevectoren voor gentherapie? Wat zijn in werkelijkheid echter twee ernstige nadelen van het gebruik van virussen als vectoren voor gentherapie?

VRAAG 3: Denk je dat wetenschappers en artsen onderzoek doen naar gentherapie op de IUPUI Campus? In uw eigen woorden, wie is Mary Dinauer en wat voor soort onderzoek doet zij?

VRAAG 4: (Optioneel) Waarom denk je dat het meeste onderzoek naar gentherapie momenteel wordt gedaan aan universiteiten en niet aan biotechbedrijven?

VRAAG 1: Wie heeft behalve uw arts toegang tot uw medische dossiers? Weet u of uw werkgever uw medisch dossier ooit heeft ingezien? Hoe zit het met uw verzekeringsmaatschappij? Weet u of er federale wetgeving is die uw medische dossiers beschermt?

VRAAG 2: Stel dat er een laat optredende genetische ziekte in uw familie voorkomt, zoals de ziekte van Huntington, borstkanker of de ziekte van Alzheimer. Voor elk van deze aandoeningen zijn genetische tests beschikbaar. Zou u uw arts willen vragen om te testen of u drager bent van de genmutaties die bij deze aandoeningen betrokken zijn? Waarom of waarom niet? Zou het voor u een verschil maken om u te laten testen als er geen behandelingen voor u beschikbaar waren als u vaststelde dat u positief was? (zoals bij Huntington, een fatale degeneratieve aandoening)

VRAAG 3: Dragerschapsscreening is beschikbaar voor paren die getest willen worden om te zien of ze recessieve allelen hebben voor veel genetische aandoeningen voordat ze kinderen krijgen. Stel dat u en uw SO (partner) elk een broer of zus hebben met cystische fibrose (CF). Zou u getest willen worden om te zien of u drager was voordat u kinderen kreeg, wetende dat als ieder van u drager is, uw kinderen 25% kans hebben om CF te hebben? Waarom of waarom niet?

VRAAG 4: Volgens de lezing: Feiten over de Amerikaanse farmaceutische industrie, over hoeveel geld van elke dollar die aan gezondheidszorg wordt besteed, wordt besteed aan ambulante geneesmiddelen op recept? Hoeveel geeft de gemiddelde Amerikaan per dag uit aan geneesmiddelen op recept? Is dit cijfer naar uw mening te hoog of te laag (of precies goed)? Wie heeft dit artikel geschreven - denk je dat ze een betrouwbare, onbevooroordeelde bron van informatie over de farmaceutische industrie zijn?

VRAAG 5: Wat maakt iets tot een 'ziekte'? Hoe bepaalt onze samenleving wie een ziekte 'heeft' en wie niet - en wat moet er in het geval van gentherapie wel of niet gecorrigeerd worden?

VRAAG 6: Wat is kiembaangentherapie? Wordt deze techniek tegenwoordig uitgevoerd? Wat zijn enkele van de voordelen / gevaren? (Hand-out hierover in de klas!)

VRAAG 7: Genoctrooien: Om een ​​octrooi te krijgen, moet een uitvinding nieuw (nieuw), niet voor de hand liggend zijn en nut hebben (nuttig zijn). Hoe kunnen genen, gegeven deze criteria, worden gepatenteerd? (Zie lezingen voor achtergrond als je wilt - maar je 'beste gok' is prima)

VRAAG 8: Waar haalt een biotechbedrijf doorgaans zijn geld vandaan als het voor het eerst als bedrijf begint (een "start-up")? Wat is durfkapitaal - en wie heeft het doorgaans? (en hoe kan ik er wat van krijgen. grapje)

VRAAG 9: Wat is een beursgang? Hoe bepaalt een bedrijf WANNEER een IPO moet worden gedaan? Hoe verhoudt TIMING van de IPO zich tot het zakelijke succes (of mogelijk falen) van een bedrijf?

VRAAG 10: Dubieuze reproductieve pa5tners. In uw eigen woorden, wat is het doel van de gevasectomiseerde muis en het pseudo-zwangere vrouwtje bij het produceren van een nest transgene muizen?


Verdelingen van AP-scores

Bekijk hoe alle AP-studenten hebben gepresteerd op de meest recente examens. De scoreverdelingstabellen op deze pagina tonen de percentages van 1s, 2s, 3s, 4s en 5s voor elk AP-onderwerp.

Scoreverdelingen 2020: AP Capstone
examen 5 4 3 2 1
AP-onderzoek 8.8% 32.1% 31.5% 25% 2.5%
AP-seminar 6.4% 14.5% 59.8% 17% 2.2%
Scoreverdelingen 2020: Kunst
examen 5 4 3 2 1
AP 2D-kunst en design 12.1% 36.1% 41.3% 9.8% 0.6%
AP 3D-kunst en design 7.2% 31.9% 36.5% 20.9% 3.5%
AP Kunstgeschiedenis 15.8% 24.9% 28% 21.3% 10%
AP-tekening 15.5% 40.3% 33.2% 9.8% 1.2%
AP Muziektheorie 24.2% 19.3% 25.7% 22% 8.8%
Scoreverdelingen 2020: Engels
examen 5 4 3 2 1
AP Engelse taal en compositie 12.6% 20.4% 29.1% 26.2% 11.8%
AP Engelse literatuur en compositie 9.3% 17.3% 33.5% 27.8% 12.2%
Scoreverdelingen 2020: geschiedenis en sociale wetenschappen
examen 5 4 3 2 1
AP Vergelijkende Overheid en Politiek 24.4% 27.4% 18.4% 17.3% 12.5%
AP Europese geschiedenis 13.7% 20.1% 25.5% 29.2% 11.5%
AP Menselijke Geografie 11.8% 22.4% 24.8% 10.9% 30.1%
AP Macro-economie 19.7% 25% 18.5% 16.2% 20.5%
AP Micro-economie 23.3% 29% 16.6% 14.2% 16.9%
AP Psychologie 22.4% 25.4% 23.5% 9.6% 19.1%
AP Overheid en politiek van de Verenigde Staten 15.5% 16.5% 25.5% 22% 20.5%
Geschiedenis van AP Verenigde Staten 13% 19.2% 26.6% 20.4% 21%
AP Wereldgeschiedenis 9.2% 22.8% 28.2% 26.1% 13.7%
Scoreverdelingen 2020: wiskunde en informatica
examen 5 4 3 2 1
AP Calculus AB 19.5% 20.9% 21% 24.1% 14.5%
AP Calculus BC 44.6% 17.6% 19.4% 14.1% 4.3%
AP Computerwetenschappen A 25.6% 21.7% 23.2% 12.8% 16.8%
Principes van AP-computerwetenschap 10.9% 23.6% 37.1% 19.8% 8.6%
AP-statistieken 16.2% 20.7% 23.1% 21.7% 18.3%
Scoreverdelingen 2020: Wetenschappen
examen 5 4 3 2 1
AP Biologie 9.5% 22.7% 36.9% 24.1% 6.9%
AP Chemie 10.6% 18.6% 26.9% 24% 19.9%
AP Milieuwetenschappen 11.9% 28.5% 13% 25.5% 21%
AP Natuurkunde 1 8.8% 17.9% 24.8% 26.5% 21.9%
AP Natuurkunde 2 14% 24.3% 35% 21.3% 5.4%
AP Physics C: Elektriciteit en magnetisme 40.4% 22.4% 11.6% 16.2% 9.5%
AP Natuurkunde C: Mechanica 41.6% 26.4% 16.3% 9.2% 6.5%
Scoreverdelingen 2020: Wereldtalen en culturen
examen 5 4 3 2 1
AP Chinese taal en cultuur 55.4% 15.5% 17.9% 5.1% 6.1%
AP Franse taal en cultuur 23.3% 31.7% 28.3% 12.3% 4.4%
AP Duitse taal en cultuur 23.9% 33.9% 16% 19.5% 6.7%
AP Italiaanse taal en cultuur 18.5% 16.8% 40.1% 19.5% 5.1%
AP Japanse taal en cultuur 53.7% 9.6% 20.3% 7.7% 8.8%
AP Latijn 16.5% 20.4% 32.3% 17.9% 12.9%
AP Spaanse taal en cultuur 30.5% 36.4% 23.1% 8.8% 1.2%
AP Spaanse literatuur en cultuur 17.6% 18.6% 38.8% 20.7% 4.3%


INVOERING

Biologie en wiskunde zijn al heel lang met elkaar verbonden. In feite worden veel biologische processen beschreven door wiskundige vergelijkingen en bepaalde wiskundige concepten zijn rechtstreeks voortgekomen uit de behoefte om interacties, relaties en processen in levende systemen te beschrijven (Jungck, 1997 Cohen, 2004). Dit heeft geleid tot het concept van interdisciplines zoals biofysica, biostatistiek en bioinformatica, om er maar een paar te noemen. Moderne technologie stelt onderzoekers in staat om snel een enorme hoeveelheid gegevens te genereren die worden gedeeld via virtuele databases en, afhankelijk van hoe ze worden geanalyseerd, kunnen dienen om een ​​verscheidenheid aan vragen te beantwoorden. Voorbeelden zijn het gebied van genomics, dat vereist dat wiskunde en informatica een significante bijdrage leveren aan de moderne biologie (Ditty et al., 2010) of fylogenetische systematiek, die wiskundige algoritmen en statistische tests vereist om hypothesen voor te stellen met betrekking tot de evolutionaire relaties van onze biodiversiteit (Hedges et al., 2008). Een specifiek voorbeeld van de relevantie van deze integratie is het werk van structurele biologen (Tsai et al., 2007). Deze wetenschappers gebruiken kristallografie om de driedimensionale structuur van een eiwit te bestuderen, een proces dat geometrie en fysica toepast. Met behulp van computermodellen en statistieken testen structuurbiologen verschillende hypothesen om de functie van een eiwit te verklaren op basis van zijn structuur. Bovendien kunnen ze bio-informatica gebruiken om de evolutionaire geschiedenis van een eiwit te traceren. Daarom moeten biologen nu meer dan ooit bekwaam zijn in wiskunde en informatica om de betekenis van gegevens te kunnen verwerven, analyseren en begrijpen (Gross, 2004).

Ondanks de verwachte vraag naar meer nadruk op wiskunde in het biologie-onderwijs, hebben de hervormingen van het leerplan niet voldaan aan de noodzaak om wiskunde en computationele wetenschappen te integreren in niet-gegradueerde biologiecursussen (Bialek en Botstein, 2004, Klymkowsky, 2005). De meeste wetenschappelijke en wiskundecursussen worden aan niet-gegradueerde studenten gegeven als een reeks feiten geïsoleerd van verwante velden, wat resulteert in studenten met een kortzichtige kijk op hun eigen disciplines. Niet-gegradueerde studenten met als hoofdvak biologie vragen zich vaak af waarom ze statistiek en andere wiskunde moeten volgen. Het probleem wordt duidelijker wanneer wij als onderzoekers studenten in onze laboratoria hebben en ontdekken dat zelfs slimme studenten, die aan deze wiskunde- en statistiekvereisten hebben voldaan, niet in staat zijn om de concepten toe te passen om een ​​biologische vraag op te lossen of als hulpmiddelen voor analyse van gegevens die ze genereren in het labortorium. Daarom is de opname van wiskunde in het biologiecurriculum van cruciaal belang om voor onze studenten het belang en het nut van wiskunde op de meeste gebieden van de biologie te onderstrepen (National Research Council, 2003 Marsteller et al., 2010). De uitdaging is om te bepalen hoe dit gerealiseerd kan worden. Hoe helpen we onze leerlingen de relevantie van wiskunde en statistiek in de biologie in te zien? Hoe bieden we onze studenten de tools om de nieuwe interdisciplinaire problemen in de biologie het hoofd te bieden?

Bij onze instelling hebben we belangrijke wijzigingen aangebracht om wiskunde beter te integreren in het curriculum van de bacheloropleiding biologie. Curriculaire herziening, geïmplementeerd in 2008, omvatte veranderingen in de voorgestelde cursusvolgorde en de toevoeging van statistiek en precalculus als vereisten voor kernwetenschappelijke cursussen zoals genetica en zoölogie. Als reactie op deze inspanningen en een door de National Institutes of Health Minority Access to Research Careers (NIH-MARC) gefinancierd initiatief om de wiskundige vaardigheden van niet-gegradueerde biologiestudenten te verbeteren, hebben we besloten om de manier waarop we onze cursussen genetica en zoölogie onderwezen aan te passen (Colon, 2010 ). We boden mogelijkheden om statistische methoden toe te passen om biologische problemen op te lossen op basis van echte gegevens, in de verwachting dat deze kansen onze studenten zouden helpen hun begrip van fundamentele concepten in statistiek te vergroten, te zien hoe statistieken hielpen bij het interpreteren van biologische patronen en wetenschappelijke procesvaardigheden zouden ontwikkelen. In dit artikel beschrijven we de activiteiten die zijn ontwikkeld om deze doelen te bereiken en de beoordelingsinstrumenten die worden gebruikt om verbeterd leren in biologie en statistiek te meten. In het licht van de huidige behoefte aan de integratie van wetenschap en wiskunde, beschrijft dit werk een haalbare manier waarop studenten niet alleen betrokken kunnen worden bij het leren over deze gebieden, maar ook bij het waarderen van de behoefte aan computationele geletterdheid in de biologie. We presenteren onze inspanningen in twee zeer verschillende cursussen, genetica en zoölogie, als voorbeelden van hoe dit kan worden gedaan met uiteenlopende onderwerpen. Hopelijk zijn studenten die op deze manier de toepasbaarheid van wiskunde op biologie leren, beter voorbereid om te slagen in graduate studies en zullen ze bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe manieren waarop wiskunde en biologie de kennis kunnen vergroten (Miller en Walston, 2010) .

De tijd - nu - en plaats - Puerto Rico - die is gekozen om inspanningen te leveren om de wiskundige vaardigheden van biologiestudenten te verbeteren, is om verschillende redenen precies goed. De Universiteit van Puerto Rico (UPR) heeft een geschiedenis van door de National Science Foundation (NSF) gefinancierde initiatieven om de voorbereiding van leraren in de wetenschappen en wiskunde te verbeteren (Scope Sequence and Coordination Systemic Statewide Initiatives Collaborative for Excellence in Teacher Preparation Math and Science Partnerships).Ondanks deze inspanningen hebben leraren nog steeds een tekort aan kwantitatieve vaardigheden en zijn ze beperkt in hun vermogen om hun leerlingen de verbanden tussen deze disciplines te laten zien (Quintero, 2006). Toekomstige wiskunde- en biologieleraren leren hun wetenschappelijke inhoud in onze cursussen samen met wetenschappelijke majors. Daarom hebben de leeractiviteiten die we in de klas aanbieden het potentieel om studenten verder op de onderwijsladder te beïnvloeden. Bovendien vereist de hervorming van het curriculum in onze biologieafdeling de betrokkenheid van studenten bij niet-gegradueerd onderzoek. De ontwikkeling van kwantitatieve vaardigheden die relevant zijn voor biologische problemen, zoals hierin gemodelleerd, zal deze studenten helpen de toepassing van wiskunde op bio-informatica, biotechnologie, veranderingssnelheden en gegevensanalyse te zien. Ten slotte heeft de Puerto Ricaanse regering voorgesteld om de lokale economie te verbeteren door de biotechnologische industrie te stimuleren in wat zij een "economy of knowledge" hebben genoemd (INDUNIV Research Consortium, 2010). Als gevolg hiervan zijn er verschillende consortia tussen de industrie en UPR ontwikkeld om de opleiding van studenten in biotechnologie en de ontwikkeling van wetenschappelijke procesvaardigheden te bevorderen (Potera, 2007). Niet-gegradueerde onderwijsinitiatieven die de interdisciplinariteit tussen wiskunde en wetenschap bevorderen, zijn essentieel om dit doel te bereiken.


We hebben zowel groepslessen als één-op-één voor IGCSE biologielessen.

Afhankelijk van de studenten en ook onze IGCSE-biologieleraar, kan de lesduur variëren van 1,5 uur tot 2,0 uur. Groepslessen zijn doorgaans 1,5 uur per week. Als u een speciaal arrangement wilt aanvragen, neem dan gerust contact met ons op.

Sinds we in 2014 zijn begonnen, hebben onze IGCSE-biologiedocenten veel studenten met A en A* voortgebracht.

Veelbelovend is NIET onze cultuur in TWINS Education. Onze resultaten spreken voor zich. Op basis van ons trackrecord scoorde minimaal 80% van onze studenten een A* en 100% scoorde minimaal 5 studiepunten. Studenten moeten ook hun rol spelen en niet zelfgenoegzaam zijn.

Ons IGCSE-biologieonderwijs omvat alleen het hoger secundair. Deze studenten zijn algemeen bekend als studenten van jaar 10 en 11. Voor het lager secundair hebben we alleen: Gecombineerde wetenschap. We hebben geen lessen voor basisschoolleerlingen in TWINS Education. Afgezien van secundair niveau, accepteren we ook: A-niveau studenten .

Het bedrag varieert van verschillende situaties (bijv. groepsles en één-op-één, lesduur, datum van registratie enz.). Bel of WhatsApp ons nu om uw behoeften te personaliseren!

Voor groepslessen hebben onze IGCSE-biologielessen gemiddeld 5 tot 6 studenten. Elke lessen zijn ontworpen om te optimaliseren voor de leerervaring en resultaten van studenten. Studenten worden ook niet gemengd met andere studenten van verschillende tentamenzittingen. Dit stelt onze IGCSE-biologieleraar in staat zich op de studenten te concentreren en maximale resultaten te behalen. We hebben ook studenten uit plaatsen als Subang Jaya USJ, Puchong, Shah Alam, Klang, Petaling Jaya PJ en Kuala Lumpur KL.

Ja. TWINS Education is sinds 2016 begonnen met online lessen, inclusief IGCSE-biologielessen. Dit is effectief en handig, vooral voor degenen die een transportprobleem hebben en hulp nodig hebben bij hun studie.


Bekijk de video: Laboratoriumtechniek (November 2021).