Informatie

4.3: Labopdracht 4: Bevolkingsmonitoring en veldbemonstering - Biologie


Naam: ________________________________

Bemonstering voor plagen geeft alleen bruikbare schattingen van de populatieomvang wanneer twee belangrijke aspecten worden aangepakt: nauwkeurigheid en precisie. Nauwkeurigheid is hoe dicht uw steekproef de werkelijke populatieomvang kan weerspiegelen. Precisie is wanneer de gegevens die in elke bemonsteringsgebeurtenis worden verzameld, relatief gelijk zijn, met weinig of geen variatie. Wanneer de precisie slecht is, zijn meer monsters nodig om nauwkeurigere gegevens te genereren.

Bepaling van de steekproefomvang: zeldzaamheidscurves

Bij elke bemonsteringsgebeurtenis krijgen we meer informatie over ons ecosysteem. In het onderstaande voorbeeld vult u tabel 1 in met de waarden die worden gegeven met behulp van bijlage A, een gegevensset die is gebaseerd op het aantal insecten dat tijdens het scouten is geregistreerd.

Voorbeeld nr.# Soorten in monsterTotaal NIEUWE soortenTOTAAL SOORTEN (cumulatief)
1
2
3
4
5

Tafel 1.

Gebruik uw gegevens om de resultaten te extrapoleren om een ​​hypothetische biologische tuin weer te geven die, als geheel beschouwd, bestaat uit 150 percelen van dezelfde grootte.

Bijvoorbeeld:

  • Als er in totaal 40 individuen zijn bemonsterd en 10 plaagsoorten A zijn, dan is soort A 25% van de populatie (10/40 = 0,25). Dit percentage is de relatieve overvloed.
  • 25% van 150 (150×25) is 37,5, dus we nemen aan dat er in het hele productiegebied ongeveer 38 (afronding op het hele insect) soorten A individuen moeten zijn.
Soort Nr.Soortnaam:Totaal aantal bemonsterd (cumulatief)Relatieve overvloed (%)Geëxtrapoleerde overvloed (x30)

Tafel 2.

Voeg nu de gegevens van de volgende 5 monsters (voorbeelden 6-10) toe aan uw tellingen in de onderstaande tabel.

Voorbeeld nr.# Soorten in monsterTotaal NIEUWE soorten (inclusief vorige monsters)Totaal Cumulatief Soort
6
7
8
9
10

Tafel 3.

Met de nieuwe gegevens moet je de relatieve en totale overvloed opnieuw berekenen voor elke soort die is geïdentificeerd over 10 bemonsteringsgebeurtenissen.

Soort Nr.Soortnaam:Totaal aantal bemonsterd (cumulatief)Relatieve overvloed (%)Geëxtrapoleerde overvloed (x15)

Tabel 4.

Was er een verschil in het aantal soorten tussen tabel 1 en tabel 3? Is het veranderende aantal soorten een indicatie van veranderende nauwkeurigheid of precisie?

Was er een verschil in de totale relatieve abundanties voor elke soort? Waarom waarom niet?

Plot uw gegevens in de onderstaande grafiek, waarin het totale aantal gevonden soorten wordt weergegeven als reactie op het aantal genomen monsters door de cellen in de tabel op elk gegevenspunt te markeren. Omdat we cumulatieve gegevens volgen, verbindt u de gegevenspunten met een lijn gemarkeerde cellen

De plot die u zojuist hierboven hebt gemaakt, is wat bekend staat als a verdunningscurve. Dit helpt adviseurs en wetenschappers die populaties van organismen volgen om de juiste bemonsteringsinspanning (aantal bemonsteringsgebeurtenissen of aantal bemonsterde eenheden) te selecteren die de minste hoeveelheid middelen zal kosten, terwijl toch nauwkeurige gegevens worden verkregen voor het schatten van populatiegroottes. Dit punt doet zich voor wanneer er weinig NIEUWE informatie is verkregen door aanvullende bemonstering. Geef aan waar dit in uw grafiek voorkomt door hier een STAR toe te voegen.

Wat is volgens de grafiek die je hebt gemaakt het ideale aantal monsters dat moet worden genomen om zowel de steekproefinspanning te minimaliseren als de meeste informatie te verkrijgen om populaties nauwkeurig te schatten?

Sollicitatie.

In productiesystemen hebben we niet de werkelijke grootte van de plaagpopulatie om te vergelijken met onze monsters, waardoor nauwkeurigheid wordt gegarandeerd. In plaats daarvan vertrouwen we op herhaalde bemonsteringsinspanningen en een verscheidenheid aan bemonsteringstechnieken om informatie te krijgen over de aanwezige plaagpopulaties.

Vervolgens gebruik je een hypothetische bemonsteringsplot waar je DRIE verschillende soorten monsters gaat nemen. Elke steekproefmethode wordt vaak gebruikt, maar elke methode geeft heel verschillende soorten informatie. Neem voor elke steekproefmethode aan dat u niets weet over de gegevens die met de twee andere technieken zijn gevonden: voltooi elke techniek één voor één en negeer eerdere steekproefresultaten. Vul met behulp van de oefenplot PDF (apart bestand) de monsterkaart in voor elke techniek.

I. Aanwezigheid/afwezigheid voorbeeldkaart

Proef elke plant in de rij om de onderstaande tabel in te vullen. Markeer alleen of de plaag aanwezig is door een "X" in de kolom te plaatsen als de soort voorkomt.

Soort:Soort:Soort:Soort:
INSTALLATIE Nr.(beschrijven)(beschrijven)(beschrijven)(beschrijven)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21

Met P/A-sampling is het de bedoeling om een ​​idee te krijgen van het ongedierte dat in het systeem aanwezig is door elke te zoeken zonder de uurkosten van verkenners te verhogen door een telling van elke populatie te eisen. Wanneer denk je dat dit soort bemonstering het nuttigst en voordeligst is voor telers?

II. Vaste willekeurige voorbeeldkaart

Kijk naar je perceel en leg mentaal een 3×3 raster over het hele perceel met beschikbare planten (zie diagram aan de rechterkant). Bepaal welk uiteinde van de oefenplot eenheden 1-3 bevat en welke 7-9 heeft. Bepaal welke plant zich het dichtst bij het midden van elke monstereenheid in uw perceel bevindt. Bekijk deze negen planten nauwkeurig en vul de voorbeeldkaart hieronder in, en voeg een nieuwe rij toe in elk perceel als er meer dan één "soort" ongedierte wordt gevonden.

Neteenheid nr.Ongedierte)BeschrijvingNummerTotaal cumulatief
VoorbeeldLicht groenLichtgroen +99
DonkergroenGrote, ronde cirkel110
1
2
3
4
5
6
7
8
9

Zoals je hebt ervaren, kost dit type bemonstering meer tijd per plant, vandaar de noodzaak om het aantal bemonsterde planten te verminderen. Denk na over het eerste deel van deze activiteit, nauwkeurigheid en precisie, en geef één voordeel en één nadeel van het gebruik van dit type steekproeven in vergelijking met de eenvoudigere aanwezigheid/afwezigheidssteekproef die werd gebruikt voor de vorige steekproefkaart.

III. Sequentiële bemonsteringskaart

Gebruik dezelfde negen planten die zijn geïdentificeerd in monstertype II hierboven. Controleer elke plant op de lichtgroene "+"; indien aanwezig, wordt die plant aan de telling toegevoegd als "1". Elk positief resultaat voegt toe aan de lopende telling in de verticale kolom met de titel "uw telling". Deze kolom is additief- als de eerste drie planten allemaal positief zijn voor de plaag, dan moet er bij de 3e plant een "3" in de telkolom staan. Als planten 1 en 2 positief zijn, maar 3 negatief, dan staat er nog steeds een "2" in de telkolom bij de derde plant.

Voorbeeld:

Plant nr.Ongedierte aanwezig?Niet behandelenJOUW TAALTraktatie
1Ja1
2Ja2
3Nee223
4Ja233
5Nee234

Vergelijk uw telling met de aanbevelingskolommen "Behandelen" en "Niet behandelen" om te bepalen of bestrijdingsmiddelenbeheer noodzakelijk is.

Plant nr.Ongedierte aanwezig?Niet behandelenJOUW TAALTraktatie
1
2
323
423
524
634
735
836
946
1047

Wat is de aanbeveling voor ongediertebestrijding voor uw negen planten?

Voer de opeenvolgende bemonstering een paar keer uit met verschillende bemonsteringspatronen - één hele rij, elke andere plant, ALLE planten, enz. Kreeg u consequent dezelfde aanbeveling voor plaagbestrijding? Waarom waarom niet?

Wat zijn de voor- en nadelen van sequentiële steekproeven? Wanneer (in een productiejaar/cyclus) zou dit de meest bruikbare manier zijn om plagen te bemonsteren?

Afrondingsanalyse

Identificatie van insecten is een belangrijk onderdeel van het zoeken naar plagen, vooral als het gaat om het bepalen van het verschil tussen plagen en gelijkaardige nuttige insecten. De training in identificatie voor scoutingbanen varieert echter sterk, wat betekent dat er niet altijd consistentie is in de herkenning en identificatie van ongedierte.

Hoe veranderen inconsistenties in identificatie de precisie en nauwkeurigheid van elk steekproeftype en elke analyse die we in deze oefening hebben overwogen?


1.4.8.B Soorten schrijven - Schrijf informatieve stukken met meerdere alinea's (bijv. brieven, beschrijvingen, rapporten, instructies, essays, artikelen), Sollicitatiegesprekken). (PA State Standard lezen, schrijven, spreken en luisteren)

1.4.8.C Soorten schrijven - Schrijf overtuigende stukken. (PA State Standard lezen, schrijven, spreken en luisteren)

1.5.8.Een kwaliteit van schrijven - Schrijf met een scherpe, duidelijke focus. (PA State Standard lezen, schrijven, spreken en luisteren)

1.5.8.B Kwaliteit van schrijven - Schrijf met goed ontwikkelde inhoud die geschikt is voor het onderwerp. (PA State Standard lezen, schrijven, spreken en luisteren)

2.2.8.A Berekening en schatting - Voltooi berekeningen door de volgorde van bewerkingen toe te passen. (PA Staat Standaard Wiskunde)

2.2.8.B Berekening en schatting - Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen van verschillende soorten en vormen van rationale getallen, inclusief gehele getallen, decimale breuken, procenten en juiste en onechte breuken. (PA Staat Standaard Wiskunde)

4.3.7.C Milieugezondheid - Biologische diversiteit uitleggen. (PA State Standard Milieu en Ecologie)

4.8.7.D Mens en milieu - Leg het belang uit van het behoud van de natuurlijke hulpbronnen op lokaal, staats- en nationaal niveau. (PA State Standard Milieu en Ecologie)

4.9.7.A Milieuwet- en regelgeving - De rol van milieuwetten en -regelgeving uitleggen. (PA State Standard Milieu en Ecologie)


Abstract

De biodiversiteit wordt wereldwijd bedreigd. In het afgelopen decennium heeft het gebied van populatiegenomica zich ontwikkeld in niet-modelorganismen, en de resultaten van dit onderzoek zijn begonnen te worden toegepast bij het behoud en beheer van diersoorten. Genomics-tools kunnen nauwkeurige schattingen geven van de basiskenmerken van populaties van wilde dieren, zoals effectieve populatieomvang, inteelt, demografische geschiedenis en populatiestructuur, die van cruciaal belang zijn voor inspanningen voor natuurbehoud. Bovendien kunnen populatiegenomica-onderzoeken bepaalde genetische loci en varianten identificeren die verantwoordelijk zijn voor inteeltdepressie of aanpassing aan veranderende omgevingen, waardoor instandhoudingsinspanningen mogelijk zijn om het vermogen van populaties te schatten om te evolueren en zich aan te passen als reactie op omgevingsveranderingen en om adaptieve variatie te beheren. Hoewel verbindingen tussen fundamenteel onderzoek en toegepast natuurbehoud zich traag ontwikkelen, worden deze verbindingen steeds sterker. Hier bespreken we de belangrijkste gebieden waarop populatiegenomics-benaderingen kunnen worden toegepast op natuurbehoud en -beheer, lichten we voorbeelden toe van hoe ze zijn gebruikt en geven we aanbevelingen om voort te bouwen op de vooruitgang die op dit gebied is geboekt.


Kansbemonsteringsmethoden

Probability sampling houdt in dat elk lid van de populatie een kans heeft om geselecteerd te worden. Het wordt vooral gebruikt in kwantitatief onderzoek. Als u resultaten wilt produceren die representatief zijn voor de hele populatie, zijn kanssteekproeven de meest geldige keuze.

Er zijn vier hoofdtypen kanssteekproeven.

1. Eenvoudige willekeurige steekproeven

In een eenvoudige willekeurige steekproef heeft elk lid van de populatie een gelijke kans om geselecteerd te worden. Uw steekproefkader moet de hele populatie omvatten.

Om dit soort steekproeven uit te voeren, kunt u hulpmiddelen gebruiken zoals generatoren voor willekeurige getallen of andere technieken die volledig op toeval zijn gebaseerd.

Voorbeeld

U wilt een eenvoudige willekeurige steekproef van 100 werknemers van Bedrijf X selecteren. U wijst een nummer toe aan elke werknemer in de bedrijfsdatabase van 1 tot 1000 en gebruikt een generator voor willekeurige getallen om 100 nummers te selecteren.

2. Systematische bemonstering

Systematische steekproeftrekking is vergelijkbaar met eenvoudige willekeurige steekproeven, maar is meestal iets gemakkelijker uit te voeren. Elk lid van de populatie wordt vermeld met een nummer, maar in plaats van willekeurig nummers te genereren, worden individuen met regelmatige tussenpozen gekozen.

Voorbeeld

Alle medewerkers van het bedrijf staan ​​in alfabetische volgorde. Van de eerste 10 nummers kies je willekeurig een startpunt: nummer 6. Vanaf nummer 6 wordt elke 10e persoon op de lijst geselecteerd (6, 16, 26, 36, enzovoort), en je krijgt een steekproef van 100 personen.

Als u deze techniek gebruikt, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat er geen verborgen patroon in de lijst is dat de steekproef zou kunnen vertekenen. Als de HR-database bijvoorbeeld werknemers per team groepeert en teamleden worden weergegeven in volgorde van anciënniteit, bestaat het risico dat uw interval mensen in juniorrollen overslaat, wat resulteert in een steekproef die scheef is in de richting van senior werknemers.

3. Gestratificeerde bemonstering

Gestratificeerde steekproeven omvatten het verdelen van de populatie in subpopulaties die op belangrijke manieren kunnen verschillen. Hiermee kunt u nauwkeurigere conclusies trekken door ervoor te zorgen dat elke subgroep correct in de steekproef is vertegenwoordigd.

Om deze steekproefmethode te gebruiken, verdeelt u de populatie in subgroepen (strata genaamd) op basis van het relevante kenmerk (bijvoorbeeld geslacht, leeftijdscategorie, inkomenscategorie, functie).

Op basis van het totale aandeel van de populatie berekent u hoeveel mensen uit elke subgroep moeten worden getrokken. Vervolgens gebruik je willekeurige of systematische steekproeven om uit elke subgroep een steekproef te trekken.

Voorbeeld

Het bedrijf heeft 800 vrouwelijke medewerkers en 200 mannelijke medewerkers. U wilt ervoor zorgen dat de steekproef het genderevenwicht van het bedrijf weerspiegelt, dus sorteert u de populatie in twee lagen op basis van geslacht. Vervolgens gebruik je willekeurige steekproeven op elke groep, waarbij je 80 vrouwen en 20 mannen selecteert, wat je een representatieve steekproef van 100 mensen geeft.

4. Clusterbemonstering

Clusterbemonstering houdt ook in dat de populatie in subgroepen wordt verdeeld, maar elke subgroep moet vergelijkbare kenmerken hebben als de hele steekproef. In plaats van individuen uit elke subgroep te selecteren, selecteer je willekeurig hele subgroepen.

Als het praktisch mogelijk is, zou u elk individu uit elk steekproefcluster kunnen opnemen. Als de clusters zelf groot zijn, kunt u met een van de bovenstaande technieken ook monsters nemen uit elk cluster.

Deze methode is goed voor het omgaan met grote en verspreide populaties, maar er is meer kans op fouten in de steekproef, omdat er substantiële verschillen tussen clusters kunnen zijn. Het is moeilijk te garanderen dat de bemonsterde clusters echt representatief zijn voor de hele populatie.

Voorbeeld

Het bedrijf heeft kantoren in 10 steden in het hele land (allemaal met ongeveer hetzelfde aantal werknemers in vergelijkbare functies). U hebt niet de capaciteit om naar elk kantoor te reizen om uw gegevens te verzamelen, dus u gebruikt willekeurige steekproeven om 3 kantoren te selecteren - dit zijn uw clusters.

Wat kan proeflezen voor uw paper doen?

De redacteuren van Scribbr corrigeren niet alleen grammatica- en spelfouten, maar versterken ook uw schrijven door ervoor te zorgen dat uw paper vrij is van vage taal, overbodige woorden en lastige formuleringen.


Cursussen met het SOE-vak

De online catalogus bevat de meest recente wijzigingen in vakken en diplomavereisten die zijn goedgekeurd door de Facultaire Senaat, inclusief wijzigingen die nog niet van kracht zijn. Cursussen met twee vermeldingen van hetzelfde nummer geven aan dat de cursusinformatie verandert. De meest recent goedgekeurde versie wordt eerst weergegeven, gevolgd door de oudere versie, in grijs, met de laatst geldige termijn voorafgaand aan de cursustitel. Cursussen die in grijs worden weergegeven met slechts één invoer van het cursusnummer worden stopgezet. Het cursusaanbod per term is toegankelijk door op de termlinks te klikken bij het bekijken van een specifieke campuscatalogus.

School van het milieu (SOE)

100 Een inleiding tot ons milieu: geologie, ecologie en milieubeheer 1 Een holistisch begrip van het milieu op aarde kennis van geologie, ecologie, milieuwetenschap en menselijke politieke dimensies basisbegrip van milieukwesties.

101 [PSCI] Welcome to the Earth: An Introduction to Geology 4 (3-3) Cursusvoorwaarde: Inschrijving niet toegestaan ​​als er al punten zijn behaald voor SOE 102. Inleidende fysieke geologie voor niet-wetenschappelijke majors met nadruk op het westen van de VS. Krediet niet toegekend voor zowel SOE 101 als 102.

101 (effectief tot en met zomer 2021) [PSCI] Inleiding tot geologie 4 (3-3) Cursusvoorwaarde: inschrijving niet toegestaan ​​als er al punten zijn behaald voor SOE 102. Inleidende fysieke geologie voor niet-wetenschappelijke majors met nadruk op het westen van de VS. Krediet niet toegekend voor zowel SOE 101 als 102.

102 Geology for Science Majors 4 (3-3) Cursus Vereiste: MATH 103, 106, 140, 171, 201 of 202, of gelijktijdige inschrijving in een van deze, of een minimale ALEKS-score voor wiskundeplaatsing van 40%. Inschrijving niet toegestaan ​​als er al punten zijn behaald voor SOE 101. Moderne concepten van aardwetenschappelijk gesteente, hulpbronnen en kaartstudie. Veldreis vereist. Krediet niet toegekend voor zowel SOE 101 als 102.

102 (van kracht tot zomer 2021) Physical Geology 4 (3-3) Cursus Vereiste: MATH 103, 106, 140, 171, 201 of 202, of gelijktijdige inschrijving in een van deze, of een minimale ALEKS-score voor wiskundeplaatsing van 40% . Inschrijving niet toegestaan ​​als er al punten zijn behaald voor SOE 101. Moderne concepten van aardwetenschappelijk gesteente, hulpbronnen en kaartstudie. Veldreis vereist. Krediet niet toegekend voor zowel SOE 101 als 102.

103 [PSCI] Andere werelden: vergelijkende planetologie van ons zonnestelsel 3 Studie van de geologische processen en omgevingen op planeten en manen van ons zonnestelsel.

105 [PSCI] Natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke gevaren 3 Overzicht van de belangrijkste natuurlijke hulpbronnen, de fysieke processen waarmee de natuur en de samenleving deze hulpbronnen produceren, en de processen van gerelateerde natuurlijke gevaren. Aanbevolen voorbereiding: MATH 103 of hoger met een C of beter, of een minimale ALEKS-score voor wiskundeplaatsing van 45%.

110 [BSCI] Het milieu, menselijk leven en duurzaamheid 4 (3-3) Interacties tussen mensen en hun omgeving multidisciplinaire inleiding tot milieuconcepten en -kwesties.

204 Veldmethoden voor een loopbaan in de natuurwetenschappen 4 (3-3) Inleiding tot basisconcepten, veldtechnieken en het gebruik van spreadsheets in natuurlijke hulpbronnen. Excursies vereist.

204 (effectief t/m zomer 2021) Inleiding tot metingen en analyse in natuurwetenschappen 2 (1-3) Inleiding tot basisconcepten, veldtechnieken en het gebruik van spreadsheets in natuurlijke hulpbronnen. Excursies vereist.

207 Geologie Veldkamp 3 (0-9) Cursus Voorwaarde: SOE 101 of 102 SOE 210. Inleiding tot geologische veldmethoden basis geologische kartering.

210 [PSCI] Geschiedenis en evolutie van de aarde 4 (3-3) Inleiding tot de geschiedenis en evolutie van de aarde door middel van observaties, gegevensverzameling en -analyse, lezingen en schrijfoefeningen.

210 (effectief tot zomer 2021) [PSCI] Earth's History and Evolution 4 (3-3) Inleiding tot de geschiedenis en evolutie van de aarde door middel van observaties, gegevensverzameling en -analyse, lezingen en schrijfoefeningen. Twee veldtochten vereist.

230 [PSCI] Inleidende Oceanografie 3 Interdisciplinaire studie van oceaansystemen: mariene geologie, scheikunde, fysica en biologie de invloed van oceanen op het klimaat en de reactie op menselijke activiteit.

250 [PSCI] Inleiding tot aardsysteemwetenschap 3 cursus Voorwaarde: SOE 110 of BIOLOGIE 106, elk met een C of beter. De fundamentele systemen van de aarde (de geo-, atmo-, hydro- en biosferen) in de context van global change. Aanbevolen: CHEM 101 of 105.

275 Rivieren: vorm, functie en beheer 3 Inleiding tot rivieren, stroomecologie en herstel.

275 (effectief tot zomer 2021) Rivieren: vorm, functie en beheer 3 Inleiding tot rivieren, stroomecologie en herstel.

280 [PSCI] Hoe het klimaatsysteem van de aarde werkt 3 Begrijpen hoe het klimaatsysteem van de aarde werkt om een ​​wetenschappelijke basis te bieden voor het maken van weloverwogen evaluaties over beheer en beleid.

285 De wetenschap en het beleid van klimaatverandering 3 Cursus Voorwaarde: SOE 110. De wetenschap van het klimaatsysteem de pleidooi voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, en het beste beleid om dit te doen.

300 Ecologie van natuurlijke hulpbronnen 3 Ecologie zoals toegepast op het beheer van ecosystemen van natuurlijke hulpbronnen, biologische diversiteit, instandhoudingsbiologie, wereldwijde klimaatverandering in de ecologie van natuurlijke hulpbronnen. Excursies vereist.

301 Forest Plants and Ecosystems 3 (2-3) Cursus Voorwaarde: SOE 300 of BIOLOGY 372 of gelijktijdige inschrijving in een van beide. Identificatie en ecologie van bosplanten met nadruk op bomen en de ecosystemen waarin ze voorkomen. Excursies vereist.

302 Dorre landplanten en ecosystemen 3 (2-3) Cursus Voorwaarde: SOE 300 of BIOLOGIE 372 SOE 301. Identificatie en ecologie van dorre landplanten (bomen, struiken, grassen, forbs) en de ecosystemen waarin ze voorkomen. Excursies vereist.

303 Milieugeologie 3 Cursus Voorwaarde: SOE 101 of 102. Geologische gevaren en geologische problemen in verband met menselijke activiteiten. Verplichte excursie.

304 Ecosystem Field Measurements 4 (3-3) Cursus Vereiste: SOE 204 SOE 300 of BIOLOGY 372 of gelijktijdige inschrijving in ofwel SOE 301 of gelijktijdige inschrijving. Meting en analyse van bossen, leefgebieden van wilde dieren en landerijen met behulp van veldapparatuur en ruimtelijke bemonsteringstechnieken ontwikkeling van arbeidsvaardigheden in bosbouw, bosherstel en natuurbeheer.

304 (effectief tot zomer 2021) Ecosysteemveldmetingen 4 (3-3) Cursus Vereiste: SOE 204 SOE 300 of BIOLOGY 372 of gelijktijdige inschrijving in SOE 301 of gelijktijdige inschrijving. Bemonsterings- en analysetechnieken voor een vast gebied voor het beoordelen van verschillende ecologische variabelen en methoden voor het bemonsteren van habitats met variabele straal van wilde dieren voor bossen en procedures voor het schatten van biomassa voor ecosystemen.

305 Bosbouw 3 Cursus Voorwaarde: SOE 204 SOE 300 of BIOLOGIE 372 SOE 301. Standdynamica, natuurlijke regeneratiemethoden, tussentijdse standbehandeling, relaties tussen beheer van natuurlijke hulpbronnen en bosbouwpraktijk. Excursies vereist.

306 Planten in de omgeving 3 Cursus Voorwaarde: SOE 300. Hoe planten omgaan met hun fysieke en biotische omgeving fysiologische functie van plantacclimatisering, aanpassing en tolerantie met nadruk op bossen en bomen.

306 (effectief tot zomer 2021) Planten in het milieu 3 Hoe planten omgaan met hun fysieke en biotische omgeving fysiologische functie van plantacclimatisering, aanpassing en tolerantie met nadruk op bossen en bomen.

310 Methoden in Wildlife Ecology 4 (3-3) Cursus Voorwaarde: BIOLOGIE 106 met een C of beter. Veld- en laboratoriumbemonsteringstechnieken bij onderzoek en beheer van wilde dieren.

311 Modellering van de omgeving 4 (3-3) Constructie en testen van computersimulatiemodellen van omgevingssystemen. Coöperatief: Open voor studenten die een UI-diploma zoeken.

312 [DIVR] Natuurlijke hulpbronnen, samenleving en milieu 3 Maatschappelijke opvattingen over natuurlijke hulpbronnen processen waardoor deze opvattingen worden ontwikkeld en tot uitdrukking komen in sociale conflicten over natuurlijke hulpbronnen.

314 Serviceleren in Ecuador: bouwen aan duurzame lokale oplossingen voor de gezondheid van mens en milieu 3 Ervaring met het samenwerken met lokale gemeenschappen in Ecuador aan projecten die de toegang tot duurzame energie, schoon water, een betere gezondheid van ecosystemen en duurzame levensonderhoud op het platteland zullen verbeteren. Voorjaarsvakantie excursie vereist.

315 Water en de aarde 3 (2-3) Cursusvoorwaarde: CHEM 102 of 106 een van MATH 108, 140, 171, 172, 182, 201, 202 of ENGR 107 een van SOE 101, SOE 102, 4 studiepunten PHYSICS 101 of 201, of PHYSICS 101 en 111, of PHYSICS 201 en 211. Globale hydrologische cyclus, inclusief rivieren en verwering, grondwater, regenwater en de atmosfeer, oceanen, menselijke invloeden. Veldonderzoek vereist.

315 (effectief tot zomer 2021) Water and the Earth 3 (2-3) Cursus Vereiste: CHEM 102 of 106 een van MATH 108, 140, 171, 172, 182, 201, 202, of ENGR 107 een van SOE 101, SOE 102, PHYSICS 101 of PHYSICS 201. Wereldwijde hydrologische cyclus, inclusief rivieren en verwering, grondwater, regenwater en de atmosfeer, oceanen, menselijke invloeden. Veldonderzoek vereist.

318 Wildlife Genetics 3 Cursus Vereiste: BIOLOGIE 106 BIOLOGIE 107 met een C of beter van MATH 106, 108, 140, 171 of een minimale ALEKS wiskunde plaatsingsscore van 80%. Toepassing van genetische hulpmiddelen voor natuurbehoud en -beheer, waaronder forensisch onderzoek, detectie van zeldzame soorten en schatting van de populatie. Coöperatief: Open voor studenten die een UI-diploma zoeken.

320 Sedimentaire Petrologie en Sedimentatie 3 (2-3) Cursus Voorwaarde: SOE 350. Sedimentair gesteente samenstelling en oorsprong met toepassing van fundamentele principes van sedimentologie. Veldreis vereist.

322 Geologie van de Pacific Northwest 3 Cursus Voorwaarde: SOE 101 of 102. Fysische geologie van de Pacific Northwest gericht op geologische processen die belangrijk zijn in zijn evolutie. Excursies vereist.

335 [M] Milieubeleid en -recht 3 Cursus Voorwaarde: SOE 110. Mondiale, nationale en regionale milieukwesties en beleid.

340 [M] Structurele geologie en platentektoniek 4 (3-3) Cursus Vereiste: Een van MATH 106, 108, 140, 171 of een minimale ALEKS-score voor wiskundeplaatsing van 80% SOE 210. Basiskennis en technieken voor het werken in vervormde rotsen in berggordels. Veldreis vereist.

340 (effectief tot en met zomer 2021) [M] Structurele geologie en platentektoniek 4 (3-3) Cursusvoorwaarde: een van MATH 106, 108, 140, 171, of een minimale ALEKS-score voor wiskundeplaatsing van 80% SOE 210. Basiskennis en technieken van het werken in vervormde rotsen in berggordels. Veldreis vereist.

350 Earth Materials 4 (2-6) Cursus Voorwaarde: CHEM 101 of 105 SOE 101, 102, 210 of 230. Samenstelling, fysische eigenschappen, structuur, kristallografie, identificatie en herkomst van mineralen. Veldreis vereist.

356 Magmatische processen 3 (2-3) Cursus Voorwaarde: SOE 350. Studie van vulkanische activiteit, vorming en evolutie van magma, en vorming en groei van de aardkorst. Excursies vereist.

356 (effectief tot en met zomer 2021) Magmatische processen 3 (2-3) Cursusvoorwaarde: SOE 350. Studie van vulkanische activiteit, generatie en evolutie van magma, en de vorming en groei van de aardkorst. Excursies vereist. (Voorheen GEOLOGIE 356).

357 Inleiding tot metamorfe gesteenten en mineralen en hoe ze onze wereld beïnvloeden 3 (2-3) Fundamentele processen op het gebied van aardwetenschappen toepassing van theoretische concepten van metamorfisme tot uitdagingen en realiteiten van de moderne wereld, inclusief klimaat, aardbevingen en industrie.

357 (effectief tot zomer 2021) Inleiding tot metamorfe gesteenten en mineralen en hoe ze onze wereld beïnvloeden 3 (2-3) Fundamentele processen op het gebied van aardwetenschappen toepassing van theoretische concepten van metamorfisme tot uitdagingen en realiteiten van de moderne wereld, inclusief klimaat , aardbevingen en industrie.

390 Living on the Edge: Global Climate Change and Earth History 3 Cursus Voorwaarde: Junior staande. Wereldwijd aardesysteem: oceaan, aarde, atmosfeer, biosfeer en cryosfeer menselijke impact op het klimaatsysteem debatten over voorspellingen van klimaatveranderingsgegevens.

402 Menselijke gezondheid en milieu 3 Probleemoplossende benadering van nadelige effecten op de menselijke gezondheid veroorzaakt door verontreiniging van milieumedia of antropogene veranderingen in ecosystemen.

403 Bemonstering voor terrestrisch ecosysteembeheer 3 (2-3) Cursusvereisten: SOE 204 STAT 212 of 412. Eenvoudige willekeurige bemonstering, gestratificeerde bemonstering en bemonstering in verhouding tot het belang dat wordt gepresenteerd voor het selecteren van een bemonsteringsschema, het implementeren ervan in het veld, en variantie beoordelen.

404 [CAPS] [M] The Ecosystem 3 Cursus Voorwaarde: SOE 110 BIOLOGIE 106 BIOLOGIE 372 of gelijktijdige inschrijving junior staand. Ecosysteemorganisatie en processen theorie en toepassingen op hedendaagse milieuproblemen.

405 Near Surface Geophysics 4 (3-3) Verkenning van nabije oppervlakte geofysica technieken, indien van toepassing, maar niet beperkt tot, grondwateranalyse, milieusanering, archeologie en detectie van natuurlijke hulpbronnen.

405 (effectief tot zomer 2021) Near Surface Geophysics 4 (3-3) Exploratie van nabije oppervlaktegeofysica-technieken, indien van toepassing, maar niet beperkt tot grondwateranalyse, milieusanering, archeologie en detectie van natuurlijke hulpbronnen.

406 Inleiding tot de radiologische wetenschappen 3 Cursus Voorwaarde: elk één cursus in biologie, calculus, scheikunde en natuurkunde. Grondbeginselen van atoomfysica, interacties van straling met materie, stralingsdosimetrie en biologie, radio-ecologie en radiologische gezondheidsbescherming.

408 [CAPS] [M] Veldgeologie 3 (0-9) Cursus Voorwaarde: SOE 207 SOE 340 SOE 350 senior staand. Geavanceerde veldproblemen en methoden data-interpretatie en rapportvoorbereiding. Coöperatief: Open voor studenten die een UI-diploma zoeken.

411 [M] Limnologie en aquatisch ecosysteembeheer 3 (2-3) Inleiding tot de wetenschap en het beheer van aquatische ecosystemen, met de nadruk op meren.

412 [M] Global Biogeochemistry 3 Cycli van biogeochemisch belangrijke elementen en antropogene veranderingen in die cycli in terrestrische en aquatische milieus op wereldschaal. Veldreis vereist. Krediet niet toegekend voor zowel SOE 412 als SOE 512. Aangeboden op 400- en 500-niveau.

416 Bodemprocessen in de kritieke zone van de aarde 3 Bodemgeochemie en procestheorie en toepassingen met een focus op reacties op het vaste, vloeibare en gasvormige grensvlak tussen de lithosfeer, atmosfeer, hydrosfeer en biosfeer. (Gekruiste cursus aangeboden als SOE 416/516, SOIL SCI 416/516). Credit niet toegekend voor zowel SOE/SOIL SCI 416 als SOE/SOIL SCI 516. Aanbevolen voorbereiding: Basiskennis van bodems (bijv. SOIL SCI 201 of gelijkwaardig CHEM 106 PHYSICS 102). Aangeboden op 400 en 500 niveau.

417 Visserijwetenschap en -beheer 3 Cursus Voorwaarde: SOE 411 of BIOLOGIE 412 STAT 212 of MATH 171. Achtergrondinformatie over de ontwikkeling van visserijwetenschap en onderzoek van de natuur- en sociaalwetenschappelijke theorieën en technieken die worden toegepast op het visserijbeheer.

420 Langdurig onderzoek in bosecosystemen: oerbossen van Yosemite National Park 3 cursus Vereiste: met toestemming van de instructeur. Methoden voor veldonderzoek in bosecosystemen op locatie in oud gemengd naaldbos in Yosemite National Park. De cursus loopt meestal eind mei.

430 Inleiding tot natuurbrand 3 Cursus Voorwaarde: SOE 300 of BIOLOGIE 372 SOE 301. Fysieke aard en gedrag van natuurbrand de brandomgeving brandecologie praktijk van natuurbrandbeheer. Veldreis vereist.

431 Wildlife Nutrition 3 (2-3) Cursus Voorwaarde: BIOLOGY 106 met een C of beter BIOLOGY 107 met een C of beter junior standing. Voedingsbehoeften en interacties van populaties in het wild. Coöperatief: Open voor studenten die een UI-diploma zoeken.

435 Wildlife Ecology 4 (3-3) Cursus Voorwaarde: BIOLOGIE 372 of SOE 300 STAT 212 of 412 junior staand. De ecologie van diersoorten en de bijdragende biologische processen. Nachtelijke excursie vereist.

438 Beleid en wetgeving inzake natuurlijke hulpbronnen en openbare gronden 3 Cursus Voorwaarde: Junior staande. Ontwikkeling, inhoud en implementatie van natuurlijke hulpbronnen en milieubeleid en wetgeving in de VS Nadruk op zowel historische ontwikkeling als actuele vraagstukken op dit gebied. Aanbevolen voorbereiding: SOE 312.

441 Populatie-ecologie en -behoud 4 (3-3) Cursus Voorwaarde: BIOLOGIE 372 of SOE 300 met een C of beter in ofwel SOE 435 met een C of beter STAT 212 met een C of beter en gelijktijdige inschrijving in STAT 412 of STAT 412 met een C of beter. Ecologie, instandhouding, beheer van gewervelde populaties, met name bedreigde en bedreigde soorten, ontworpen voor majors in het wild en natuurbehoud.

441 (effectief tot zomer 2021) Population Ecology and Conservation 4 (3-3) Cursus Vereiste: BIOLOGIE 372 of SOE 300 met een C of beter in ofwel SOE 435 met een C of beter STAT 212 met een C of beter en gelijktijdige inschrijving in STAT 412, of STAT 412 met een C of beter. Ecologie, instandhouding, beheer van gewervelde populaties, met name bedreigde en bedreigde soorten, ontworpen voor majors in het wild en natuurbehoud.

444 Milieueffectrapportage 3 Nationale en nationale beleidskaders voor milieueffectrapportage die de integratie van wetenschap en het publiek in het besluitvormingsproces van instanties ondersteunen. Krediet niet toegekend voor zowel SOE 444 als SOE 544. Aangeboden op 400- en 500-niveau. Coöperatief: Open voor studenten die een UI-diploma zoeken.

444 (Effective through Summer 2021) Environmental Assessment 3 National and state policy frameworks for environmental assessment that support integration of science and the public into agency decision-making process. Credit not granted for both SOE 444 and SOE 544. Offered at 400 and 500 level. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

445 Hazardous Waste Management 3 Environmental, technical, and political aspects of hazardous waste management evaluative methods, risk assessment, and current management requirements. Credit not granted for both SOE 445 and SOE 545. Offered at 400 and 500 level. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

446 [M] Wildlife Habitat Ecology 3 (2-3) Course Prerequisite: SOIL SCI 368 or concurrent enrollment STAT 212 or 412 senior standing. The ecology of how wildlife use, respond to, and affect resources in their environment.

446 (Effective through Summer 2021) [M] Wildlife Habitat Ecology 3 (2-3) Course Prerequisite: SOIL SCI 368 or concurrent enrollment. The ecology of how wildlife use, respond to, and affect resources in their environment.

450 [M] Conservation Biology 3 Course Prerequisite: Junior standing. Patterns of biological diversity, factors producing changes in diversity, values of diversity, management principles applied to small populations, protected areas, landscape linkages, biotic integrity, restoration, legal issues and funding sources.

454 [CAPS] [M] Restoration Ecology 3 (2-3) Course Prerequisite: Senior standing. Ecological principles used to restore biological communities ecological processes and species on degraded landscapes.

460 Biotechnology and the Environment 3 Course Prerequisite: BIOLOGY 106, 107, or 120 3 credit hours CHEM. Benefits, regulations, and human and environmental impacts of biotechnology used for crop protection, agricultural and energy production, and environmental remediation and management. (Crosslisted course offered as ENTOM 460, SOE 460).

461 Watershed Management 3 Principles and practices of management of forest and rangelands for protection, maintenance, and improvement of water resource values. Field trip required. Recommended preparation: SOE 204 or sufficient background in spreadsheets.

463 Water in the Environment 3 Course Prerequisite: MATH 140 or 171, or 4 credits PHYSICS 101 or 201, or PHYSICS 101 and 111, or PHYSICS 201 and 211, or PHYSICS 205. Water flows in the natural environment, including cloud formation, rainfall, evaporation, infiltration, groundwater, river flows, lakes, estuaries, mixing, and erosion.

463 (Effective through Summer 2021) Water in the Environment 3 Course Prerequisite: One semester of MATH 140, 171, PHYSICS 101, 201, or 205. Water flows in the natural environment, including cloud formation, rainfall, evaporation, infiltration, groundwater, river flows, lakes, estuaries, mixing, and erosion.

464 [M] Landscape Ecology 3 (2-3) Course Prerequisite: Junior standing. Linkages between spatial patterns and processes in a variety of landscapes and the qualitative tools used in the investigation of these linkages.

465 Aquatic Microbial Ecology 2 Course Prerequisite: BIOLOGY 372. Biological, ecological and environmental impact of microbes in aquatic systems.

470 Introduction to Economic Geology 3 (2-3) Course Prerequisite: SOE 340 SOE 350. Genesis, evolution and tectonic setting of ore deposits combining theory, description, and detailed hand specimen analysis. Field trip to major mining districts. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

471 [CAPS] International Wildlife Conservation 3 Course Prerequisite: Junior standing. A broad survey of international wildlife conservation that touches on biological, social, and political aspects of wildlife management focus on understanding the unique challenges that are encountered in the international arena.

474 [CAPS] [M] Physics and Chemistry of the Earth 4 (3-3) Course Prerequisite: CHEM 101 or 105 CHEM 102 or 106 4 credits of PHYSICS 101 or 201, or PHYSICS 101 and 111, or PHYSICS 201 and 211 SOE 101, 102, or 210 junior standing. Earth's operations as described by sub-disciplines of geology, chemistry, physics, and mathematics earth's composition as related to solar system formation.

474 (Effective through Summer 2021) [CAPS] [M] Physics and Chemistry of the Earth 4 (3-3) Course Prerequisite: CHEM 101 or 105 CHEM 102 or 106 MATH 171 PHYSICS 101 or 201 SOE 101, 102, or 210 junior standing. Earth's operations as described by sub-disciplines of geology, chemistry, physics, and mathematics earth's composition as related to solar system formation.

475 Groundwater 3 (2-3) Course Prerequisite: CE 317 or SOE 315 MATH 140 or concurrent enrollment, or MATH 172 or 182 or concurrent enrollment. Introduction to groundwater occurrence, movement, quality, and resource management, emphasizing physical and biogeochemical principles. Field trip required. (Crosslisted course offered as SOE 475, CE 475). Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

476 Biology and Ecology of Pacific Salmon 3 Course Prerequisite: BIOLOGY 106 or 107 CHEM 101 or 105. The life histories, habitat requirements, and current issues facing Pacific salmon. Credit not granted for both SOE 476 and SOE 576. Offered at 400 and 500 level.

477 [CAPS] Environmental Dispute Resolution and Conflict Management 3 Course Prerequisite: Junior standing. Exploration of the consequences of complex social, economic, and environmental dynamics that lead to disputes and conflicts over environmental and natural resources develop toolbox of skills and approaches that may be used to facilitate collaborative solutions and resolution of disputes.

480 How to Build a Habitable Planet 3 An introduction to the origin and evolution of Earth including the effects of water, CO2, and humans on the planet exploration of radioactive decay, geochronology, radiogenic and stable isotope geochemistry, and chemical proxies in dynamic systems.

480 (Effective through Summer 2021) How to Build a Habitable Planet 3 An introduction to the origin and evolution of Earth including the effects of water, CO2, and humans on the planet exploration of radioactive decay, geochronology, radiogenic and stable isotope geochemistry, and chemical proxies in dynamic systems.

483 Sustainability: Applied Improvement or Promotion Projects 3 Course Prerequisite: Minimum 3 credits of [PSCI] or [BSCI] senior standing. An applied multidisciplinary introduction to sustainability classroom learning followed with an applied sustainability improvement or promotion project for Washington State University.

484 Forest Management and Planning 3 Knowledge, skills, and experience in drafting a management plan and managing forested properties for a variety of values, ranging from generation of diverse forest products to maintenance of important environmental values associated with forest lands.

485 Disturbance Ecology 3 (2-3) Course Prerequisite: SOE 204 SOE 301 SOE 302 or concurrent enrollment. Fire, disease, and other disturbances are primary drivers of structure and composition in terrestrial ecosystems study of management of insect outbreaks and fungal organisms in combination with fire and other disturbances.

486 Applied Remote Sensing: From Drones to Satellites 3 Course Prerequisite: SOIL SCI 368 or concurrent enrollment, or SOIL SCI 374 or concurrent enrollment. Remote sensing to measure changes in forests, plants, wildlife, wildfire, crops, and geologic features analyzing and applying data from satellites, drones, airplanes, and lidar to measures on the ground.

486 (Effective through Summer 2021) Applied Remote Sensing: From Drones to Satellites 3 Remote sensing to measure changes in forests, plants, wildlife, wildfire, crops, and geologic features analyzing and applying data from satellites, drones, airplanes, and lidar to measures on the ground.

491 Senior Seminar 1 Course Prerequisite: Senior standing. Recommended preparation: Admission to a major in science, mathematics, or engineering.

492 Special Topics V 1-3 May be repeated for credit cumulative maximum 12 hours. Specialized topics within the discipline content will vary each term. Open to all SOE majors. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

495 Undergraduate Internship V 1-12 May be repeated for credit cumulative maximum 12 hours. Course Prerequisite: By interview only. Practical experience in appropriate agencies for career students in earth science, environment and ecosystem science, forestry, and wildlife. S, F grading.

498 Seminar 1 May be repeated for credit cumulative maximum 3 hours. Research papers presented by students, faculty, and visiting scientists on geological research. Credit not granted for both SOE 498 and SOE 598. Offered at 400 and 500 level. S, F grading.

499 Special Problems V 1-4 May be repeated for credit. Independent study conducted under the jurisdiction of an approving faculty member may include independent research studies in technical or specialized problems selection and analysis of specified readings development of a creative project or field experiences. S, F grading.

501 Graduate Skills Seminar 1 Seminar designed to introduce first year graduate students to the science graduate program roles and responsibilities of graduate students, teaching assistants and researchers. S, F grading.

505 Geodynamics 4 (3-3) Overview of topics in geodynamics including conductive and convective heat transfer, mantle convection, plate flexure, faulting, and plate tectonics. Recommended preparation: Calculus and introductory physics.

510 Species Distribution Modeling 3 Theory and application of species distribution models, including niche, occupancy, and spatial capture-recapture models manipulation of spatial data and software packages (ArcGIS, R, MaxEnt, PRESENCE). Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

512 [M] Global Biogeochemistry 3 Cycles of biogeochemically important elements and anthropogenic changes to those cycles in terrestrial and aquatic environments on a global scale. Field trip required. Credit not granted for both SOE 412 and SOE 512. Offered at 400 and 500 level.

516 Soil Processes in the Earth's Critical Zone 3 Soil geochemistry and processes theory and applications with a focus on reactions at the solid, liquid, and gaseous interface between the lithosphere, atmosphere, hydrosphere, and biosphere. (Crosslisted course offered as SOE 416/516, SOIL SCI 416/516). Credit not granted for both SOE/SOIL SCI 416 and SOE/SOIL SCI 516. Recommended preparation: Basic knowledge of soils (e.g. SOIL SCI 201 or equivalent CHEM 106 PHYSICS 102). Offered at 400 and 500 level.

520 Radiation Instrumentation 3 (2-3) Methods for analysis of radiation and radiative materials, including use of radiation monitoring equipment and analysis of instrument data.

521 Uses and Regulation of Radiation 3 Uses and regulation of radiation and radioactive materials in medicine, industry, power production, and scientific research.

524 Advanced Topics in Sedimentology 3 (2-3) May be repeated for credit cumulative maximum 6 hours. Modern aspects of sedimentary rocks. Field trip required. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

526 Ecology of the Columbia River 3 Interdisciplinary approach to the interconnections between the physical, geological, chemical, biological, and social dimensions of this large, iconic aquatic ecosystem. Recommended preparation: BIOLOGY 372.

531 Fundamentals of Environmental Toxicology 3 Fundamentals of toxicology environmental fate and biological effects of chemical pollutants in air, water, and food.

532 Applied Environmental Toxicology 3 Overview of and current issues in the field of environmental toxicology.

532 (Effective through Summer 2021) Applied Environmental Toxicology 3 Course Prerequisite: SOE 531 or PHARMSCI 505. Overview of the field of environmental toxicology interactions of zenobiotics with natural systems.

535 Integrated Water Resources Science and Management 3 Introduction to the physical, social, and cultural drivers that shape how water is managed within the larger environmental and human landscape.

536 Climate Change Impacts on Physical, Natural, and Human Systems 3 Methods for studying human-caused climate variability and change discussion of impacts on the physical environment and natural and human systems.

536 (Effective through Summer 2021) Climate Change Impacts on Physical, Natural, and Human Systems 3 Methods for studying human-caused climate variability and change discussion of impacts on the physical environment and natural and human systems.

540 Agroecology 3 Social and ecological aspects of agriculture and human food systems.

540 (Effective through Summer 2021) Agroecology 3 Social and ecological aspects of agriculture and human food systems.

541 Orogenic Systems 3 (2-3) Detailed analysis of the construction of mountain belts. Field trip required. Recommended preparation: B.S. in Geology or related field. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

542 Extensional Tectonics 3 Case study of Western US Basin and Range Province to explore processes and dynamics of extensional tectonics. Field trip required. Recommended preparation: B.S. in Geology or a related field. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

544 Environmental Assessment 3 National and state policy frameworks for environmental assessment that support integration of science and the public into agency decision-making process. Credit not granted for both SOE 444 and SOE 544. Offered at 400 and 500 level. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

544 (Effective through Summer 2021) Environmental Assessment 3 National and state policy frameworks for environmental assessment that support integration of science and the public into agency decision-making process. Credit not granted for both SOE 444 and SOE 544. Offered at 400 and 500 level. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

545 Hazardous Waste Management 3 Environmental, technical, and political aspects of hazardous waste management evaluative methods, risk assessment, and current management requirements. Credit not granted for both SOE 445 and SOE 545. Offered at 400 and 500 level. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

548 Applied Spatial Ecology 3 Foundational research principles in spatial ecology applied to new data production of methods and results sections suitable for publication, using R and GIS programming. Recommended preparation: Introductory-level experience with R and ArcGIS.

555 System Dynamics Models of Environmental Systems 3 Analysis of environmental system dynamics development and uses of simulation models using the Stella software on Macintosh. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

556 Foraging Ecology of Herbivores 2 Synthesis of foraging behavior concepts including nutritive quality of forages, digestive and metabolic constraints, and diet and habitat selection. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

560 Advanced Igneous Petrology 3 (2-3) Origin, evolution, and tectonic significance of igneous rocks. Field trip required. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

562 Watershed Biogeochemistry 3 Sources, transformations, fates and impacts of biogeochemically important compounds as they move downstream through watersheds to the coastal zone.

576 Biology and Ecology of Pacific Salmon 3 The life histories, habitat requirements, and current issues facing Pacific salmon. Credit not granted for both SOE 476 and SOE 576. Offered at 400 and 500 level.

577 Advanced Environmental Hydrology 2 Water (ground, soil, surface, plant, atmosphere) dynamics and support of ecosystem functions and organization in natural, disturbed, and human/impacted systems. Recommended preparation: college-level physics, multivariate calculus, and introduction to hydrology.

577 (Effective through Fall 2021) Advanced Environmental Hydrology 3 Principles, dynamics, interactions, and calculations of water flow in the environment (rivers, lakes, groundwater, soil and plant water, atmospheric boundary layer). Recommended preparation: college-level physics, multivariate calculus, and introduction to hydrology.

583 Radiogenic Isotopes and Geochronology 3 Radiogenic isotopes and their uses as chronometers (radiometric dating) and as tracers of earth evolution and differentiation. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

584 Stable Isotope Geochemistry 3 Principles and applications of isotope geochemistry in the geological sciences. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

592 Advanced Topics in Environmental and Natural Resource Sciences V 1-4 May be repeated for credit cumulative maximum 6 hours. Course Prerequisite: By instructor permission.

593 Graduate Seminar in Earth and Environmental Sciences 1 May be repeated for credit cumulative maximum 8 hours.

594 Environmental and Natural Resources Issues and Ethics 3 Ethical systems applied to natural resources issues of professionalism and ethics in natural resource management. Cooperative: Open to UI degree-seeking students.

597 Advanced Topics in Geology V 1-4 May be repeated for credit cumulative maximum 6 hours. Topics of current interest in geology.

598 Seminar 1 May be repeated for credit cumulative maximum 3 hours. Research papers presented by students, faculty, and visiting scientists on geological research. Credit not granted for both SOE 498 and SOE 598. Offered at 400 and 500 level. S, F grading.

600 Special Projects or Independent Study V 1-18 May be repeated for credit. Independent study, special projects, and/or internships. Students must have graduate degree-seeking status and should check with their major advisor before enrolling in 600 credit, which cannot be used toward the core graded credits required for a graduate degree. S, F grading.

700 Master's Research, Thesis, and/or Examination V 1-18 May be repeated for credit. Independent research and advanced study for students working on their master's research, thesis and/or final examination. Students must have graduate degree-seeking status and should check with their major advisor/committee chair before enrolling for 700 credit. S, U grading.

702 Master's Special Problems, Directed Study, and/or Examination V 1-18 May be repeated for credit. Independent research in special problems, directed study, and/or examination credit for students in a non-thesis master's degree program. Students must have graduate degree-seeking status and should check with their major advisor/committee chair before enrolling for 702 credit. S, U grading.

800 Doctoral Research, Dissertation, and/or Examination V 1-18 May be repeated for credit. Course Prerequisite: Admitted to a School of the Environment PhD program. Independent research and advanced study for students working on their doctoral research, dissertation and/or final examination. Students must have graduate degree-seeking status and should check with their major advisor/committee chair before enrolling for 800 credit. S, U grading.


Thesis Deadlines and Approval Process

Thesis deadlines are posted on The Graduate College website under "Current Students." The completed thesis must be submitted to the chair of the thesis committee on or before the deadlines listed on The Graduate College website.

The following must be submitted to The Graduate College by the thesis deadline listed on The Graduate College website:

  1. The Thesis Submission Approval Form bearing original (wet) and/or electronic signatures of the student and all committee members.
  2. One (1) PDF of the thesis in final form, approved by all committee members, uploaded in the online Vireo submission system.

After the dean of The Graduate College approves the thesis, Alkek Library will harvest the document from the Vireo submission system for publishing in the Digital Collections database (according to the student's embargo selection). NOTE: MFA Creative Writing theses will have a permanent embargo and will never be published to Digital Collections.

While original (wet) signatures are preferred, there may be situations as determined by the chair of the committee in which obtaining original signatures is inefficient or has the potential to delay the student's progress. In those situations, the following methods of signing are acceptable:

  • signing and faxing the form
  • signing, scanning, and emailing the form
  • notifying the department in an email from their university's or institution's email account that the committee chair can sign the form on their behalf
  • electronically signing the form using the university's licensed signature platform.

If this process results in more than one document with signatures, all documents need to be submitted to The Graduate College together.

No copies are required to be submitted to Alkek Library. However, the library will bind copies submitted that the student wants bound for personal use. Personal copies are not required to be printed on archival quality paper. The student will take the personal copies to Alkek Library and pay the binding fee for personal copies.

Master's level courses in Biology: BIO


Advantages of Simple Random Sampling

One of the best things about simple random sampling is the ease of assembling the sample. It is also considered as a fair way of selecting a sample from a given population since every member is given equal opportunities of being selected.

Another key feature of simple random sampling is its representativeness of the population. Theoretically, the only thing that can compromise its representativeness is luck. If the sample is not representative of the population, the random variation is called sampling error.

An unbiased random selection and a representative sample is important in drawing conclusions from the results of a study. Remember that one of the goals of research is to be able to make conclusions pertaining to the population from the results obtained from a sample. Due to the representativeness of a sample obtained by simple random sampling, it is reasonable to make generalizations from the results of the sample back to the population.


Types of Sampling Methods and Techniques in Research

The main goal of any marketing or statistical research is to provide quality results that are a reliable basis for decision-making. That is why the different types of sampling methods and techniques have a crucial role in research methodology and statistics.


Your sample is one of the key factors that determine if your findings are accurate. Making the research with the wrong sample designs, you will almost surely get various misleading results.

On this page you will learn:

  • What is sampling?
  • The various types of sampling methods: briefly explained.
    Probability and non-probability sampling.
  • Infographic in PDF.

What is sampling?

Dy definition, sampling is a statistical process whereby researchers choose the type of the sample. The crucial point here is to choose a good sample.

What is a population?

In sampling meaning, a population is a set of units that we are interested in studying. These units should have at least one common characteristic. The units could be people, cases (organizations, institutions), and pieces of data (for example – customer transactions).

What is a sample?

A sample is a part of the population that is subject to research and used to represent the entire population as a whole. What is crucial here is to study a sample that provides a true picture of the whole group. Often, it’s not possible to contact every member of the population. So, only a sample is studied when conducting statistical or marketing research.

Er zijn two basic types of sampling methods:

Probability Sampling

What is probability sampling?

In simple words, probability sampling (also known as random sampling or chance sampling) utilizes random sampling techniques and principles to create a sample. This type of sampling method gives all the members of a population equal chances of being selected.

For example, if we have a population of 100 people, each one of the persons has a chance of 1 out of 100 of being chosen for the sample.

Advantages of probability sampling :

  • A comparatively easier method of sampling
  • Lesser degree of judgment
  • High level of reliability of research findings
  • High accuracy of sampling error estimation
  • Can be done even by non-technical individuals
  • The absence of both systematic and sampling bias.

nadelen:

  • Monotonous work
  • Chances of selecting specific class of samples only
  • Higher complexity
  • Can be more expensive and time-consuming.

Types of Probability Sampling Methods

Simple Random Sampling

This is the purest and the clearest probability sampling design and strategy. It is also the most popular way of a selecting a sample because it creates samples that are very highly representative of the population.

Simple random is a fully random technique of selecting subjects. All you need to do as a researcher is ensure that all the individuals of the population are on the list and after that randomly select the needed number of subjects.

This process provides very reasonable judgment as you exclude the units coming consecutively. Simple random sampling avoids the issue of consecutive data to occur simultaneously.

Stratified Random Sampling

A stratified random sample is a population sample that involves the division of a population into smaller groups, called ‘strata’. Then the researcher randomly selects the final items proportionally from the different strata.

It means the stratified sampling method is very appropriate when the population is heterogeneous. Stratified sampling is a valuable type of sampling methods because it captures key population characteristics in the sample.

In addition, stratified sampling design leads to increased statistical efficiency. Each stratа (group) is highly homogeneous, but all the strata-s are heterogeneous (different) which reduces the internal dispersion. Thus, with the same size of the sample, greater accuracy can be obtained.

Systematic Sampling

This method is appropriate if we have a complete list of sampling subjects arranged in some systematic order such as geographical and alphabetical order.

The process of systematic sampling design generally includes first selecting a starting point in the population and then performing subsequent observations by using a constant interval between samples taken.

This interval, known as the sampling interval, is calculated by dividing the entire population size by the desired sample size.

For example, if you as a researcher want to create a systematic sample of 1000 workers at a corporation with a population of 10000, you would choose every 10th individual from the list of all workers.

Cluster Random Sampling

This is one of the popular types of sampling methods that randomly select members from a list which is too large.


A typical example is when a researcher wants to choose 1000 individuals from the entire population of the U.S. It is impossible to get a complete list of every individual. So, the researcher randomly selects areas (such as cities) and randomly selects from within those boundaries.

Cluster sampling design is used when natural groups occur in a population. The entire population is subdivided into clusters (groups) and random samples are then gathered from each group.

Cluster sampling is a very typical method for market research. It’s used when you can’t get information about the whole population, but you can get information about the clusters.

The cluster sampling requires heterogeneity in the clusters and homogeneity between them. Each cluster must be a small representation of the whole population.

Non-probability Sampling

The key difference between non-probability and probability sampling is that the first one does not include random selection. So, let’s see the definition.

What is non-probability sampling?

Non-probability sampling is a group of sampling techniques where the samples are collected in a way that does not give all the units in the population equal chances of being selected. Probability sampling does not involve random selection at all.

Bijvoorbeeld, one member of a population could have a 10% chance of being picked. Another member could have a 50% chance of being picked.

Most commonly, the units in a non-probability sample are selected on the basis of their accessibility. They can be also selected by the purposive personal judgment of you as a researcher.

Advantages of non-probability sampling:

  • When a respondent refuses to participate, he may be replaced by another individual who wants to give information.
  • Less expensive
  • Very cost and time effective.
  • Easy to use types of sampling methods.

Disadvantages of non-probability sampling:

  • The researcher interviews individuals who are easily accessible and available. It means the possibility of gathering valuable data is reduced.
  • Impossible to estimate how well the researcher representing the population.
  • Excessive dependence on judgment.
  • The researchers can’t calculate margins of error.
  • Bias arises when selecting sample units.
  • The correctness of data is less certain.
  • It focuses on simplicity instead of effectiveness.

Types of Non-Probability Sampling Methods

There are many types of non-probability sampling techniques and designs, but here we will list some of the most popular.

Convenience Sampling

As the name suggests, this method involves collecting units that are the easiest to access: your local school, the mall, your nearest church and etc. It forms an accidental sample. It is generally known as an unsystematic and careless sampling method.

Respondents are those “who are very easily available for interview”. For example, people intercepted on the street, Facebook fans of a brand and etc.

This technique is known as one of the easiest, cheapest, and least time-consuming types of sampling methods.

Quota Sampling

Quota sampling methodology aims to create a sample where the groups (e.g. males vs. females workers) are proportional to the population.

The population is divided into groups (also called strata) and the samples are gathered from each group to meet a quota.

For example, if your population has 40% female and 60% males, your sample should consist those percentages.

Quota sampling is typically done to ensure the presence of a specific segment of the population.

Judgment Sampling

Judgmental sampling is a sampling methodology where the researcher selects the units of the sample based on their knowledge. This type of sampling methods is also famous as purposive sampling or authoritative sampling.

In this method, units are selected for the sample on the basis of a professional judgment that the units have the required characteristics to be representatives of the population.

According to https://explorable.com/ “The process involves nothing but purposely handpicking individuals from the population based on the authority’s or the researcher’s knowledge and judgment.”

Judgmental sampling design is used mainly when a restricted number of people possess the characteristics of interest. It is a common method of gathering information from a very specific group of individuals.

Snowball Sampling

Snowball sampling isn’t one of the common types of sampling methods but still valuable in certain cases.

It is a methodology where researcher recruits other individuals for the study. This method is used only when the population is very hard-to-reach.

For example, these include populations such as working prostitutes, current heroin users, people with drug addicts, and etc. The key downside of a snowball sample is that it is not very representative of the population.

Sampling can be a confusing activity for marketing managers carrying out research projects.


By knowing and understanding some basic information about the different types of sampling methods and designs, you can be aware of their advantages and disadvantages.

The two main sampling methods (probability sampling and non-probability sampling) has their specific place in the research industry.

In the real research world, the official marketing and statistical agencies prefer probability-based samples. While it would always be good to perform a probability-based sampling, sometimes other factors have to be considered such as cost, time, and availability.


Logistics

/>
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-ShareAlike 4.0 International License. Under this license, authorized individuals may copy, distribute, display and perform the work and make derivative works and remixes based on this text only if they give the original author credit (attribution). You are also free to distribute derivative works only under a license identical (“not more restrictive”) to the license that governs this original work.

Dr. Rodney Dyer is an Associate Professor in the Department of Biology and the Assistant Director for the Center for Environmental Studies at Virginia Commonwealth University in Richmond, Virginia, USA. His research focuses on genetic connectivity and structure and how the environment influences both. More information on his research can be found at http://dyerlab.bio.vcu.edu.


PERSPECTIVES ON DIVERSITY, STRUCTURE, AND STABILITY

9.2.3 Some Current and Future Considerations: Food Webs Across Space and Time

Although space has played a large role in population ecology and direct interactions ( McCauley, Wilson, & deRoos 1996 ), the consideration of the role of space on food web dynamics is relatively recent ( Holt 1996 Polis, Anderson, & Holt 1997 Nachman 2001 Callaway & Hastings 2002 McCann et al., in press Teng & McCann 2004 ). In a series of articles, Holt (1996, 2002) and others ( Loreau, Mouquet, & Holt 2003 Holt & Hoopes, in press) have begun to tie metapopulation theory to community and ecosystem perspectives (dubbed metacommunity and metaecosystem, respectively). They have argued cogently that this larger perspective has the potential to unite population, community, and ecosystem perspectives. More specifically, they have argued that expanding the spatial scale of food webs may allow ecologists to more completely understand such long-standing issues as food chain length, trophic control (see also Polis, Anderson, & Holt 1997 ), island biogeography, and food web stability or instability.

Along a similar research theme, some ecologists have begun to consider empirical arguments to frame a more general spatial theory of food webs (McCann, Rasmussen, & Umbanhowar, in review). Polis and Strong (1996) emphasized that different habitats contained different primary producers and that these tended to be coupled by higher-ordered generalist consumers. This result is consistent with two empirical generalizations: (1) that generalist foraging tends to increase with higher-order consumers ( Polis & Strong 1996 Cohen, Jonsson & Carpenter 2003 ) and (2) that higher-order organisms tend to be larger and more mobile than their prey ( Peters 1983 Brown, Stevens, & Kaufman 1996 McCann et al, in press). These relationships are schematically summarized in Figure 9.3 and together create a simple framework for a general spatial theory. Some researchers (McCann et al., in press) have begun to consider the implication of such spatial coupling on the dynamics and stability of coupled food webs. The results suggest that in spatially extended systems with differentially responding resources or prey, behaviour (i.e., movement) by the larger, more mobile organism can act as a potent stabilizing force, especially when considered in a non-equilibrium context.

FIGURE 9.3 . A schematic representation of food webs in space. Higher-order organisms are increasingly more generalized in their foraging and increasingly more mobile. Thus, higher-order organisms couple lower-level habitat compartments.

The result is easily presented and consistent with earlier theory emerging from spatial population ecology (e.g., see McCauley, Wilson, & deRoos 1996 and Fryxell & Lundberg 1997 ). Effectively, larger organisms can respond to variation in space by moving from areas where prey or resource densities are low and towards areas where prey or resource densities are high. The outcome is the release of predatory pressure on prey when prey species are at low densities and increasing predatory pressure when prey species attain high densities—precisely the arrangement needed to reduce extreme variation in density. From the consumer perspective, its rapid behavioural response allows it to track variable resource or prey densities at a larger spatial scale. Clearly, the result relies on the underlying idea that resources in different habitats are responding differentially through time. It turns out that this variation can be abiotically driven or driven by the top-down predatory pressure of generalist consumers if the consumer tends to prefer one organism significantly more than other organisms (this is a manifestation of the weak interaction effect) ( McCann, Hastings, & Huxel 1998 ). So again, like the averaging effect described for a single trophic level ( Tilman, Lehman, & Bristow 1998 ), the notion of differential responses within a non-equilibrium perspective suggest that food web stability may unfold from variability in space and time.

Pimm and Lawton (1980) found little evidence for compartments in food webs except at huge spatial scales or if they considered the coupling of detrital webs to grazing webs. Recent analysis of food webs, using interaction strength or energy flow, found that compartments might be more ubiquitous than early investigations suggested ( Krause et al. 2003 ). It is interesting to reconsider how the coupling of food webs within a spatial perspective will influence the food web compartments. In Figure 9.4A , a food web in which weak and strong interactions are essentially uniformly distributed throughout the food web is depicted. Such a configuration does not drive compartmented food web structure, and in light of the result from Krause and her colleagues’ (2003) , may not characterize natural systems. Figure 9.4B , on the other hand, shows a distribution of interaction strengths that generates strong compartmentalization. Another interesting potential distribution of interaction strengths that generates compartments of a slightly different kind is illustrated in Figure 9.4C . Here, one will find not only a compartmentalized web but also some compartments that may tend to contain stronger interactions than other compartments (i.e., there is the potential not only for weak interactions but also for weak compartments).

FIGURE 9.4 . Three examples of the distribution of weak interactions in a food web. (A) Uniformly distributed weak interactions will not tend to produce compartments even if weak interactions are ignored. (B) Weak interactions are distributed such that food webs have compartments, although weak and strong interactions still exist within individual compartments. (C) Weak interactions are distributed such that food webs have compartments, although weak and strong interactions are positioned such that there also exists the tendency for weak and strong compartment flows.

Soil ecologists have argued for such structure for some time in their underground food webs ( Moore & Hunt 1988 ). They have suggested that bacterial energy channels tend to break down more labile detritus and turn over much more rapidly than fungal energy channels that tend to arise out of more recalcitrant detrital sources. Similarly, an argument can be made for littoral or benthic pathways in lakes versus pelagic pathways in lakes. Benthic invertebrates tend to turn over on a much longer timescale then the rapid turnover of zooplankton on phytoplankton. Finally, it has been suggested for some time that detrital webs are slower and more donor-controlled than grazing webs. Teng and McCann (2004) recently reconsidered the stabilizing role of compartments and found that compartments can be potent stabilizing forces. Again, particularly if compartments (like species) tend to respond differentially in time, behavioural responses by higher-order consumers can then average across these variable out-of-phase subsystems. Hence, strong and weak compartments could be an important form of food web structure that contributes to the persistence of ecological systems.